<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-02T09:00:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3152</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7229">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-23T12:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7229 Rechtbank Den Haag , 19-05-2023 / 22/3152</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7229:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep terugvordering zorgtoeslag 2020. Inkomen ex-partner meegenomen in berekening want echtscheidingsverzoek nog niet ingediend. Detentie, klinische opname en  contactverbod geen aanleiding niet terug te vorderen of terugvordering te matigen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7229:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/3152 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.C.H. Walkate),   		 </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Belastingdienst/Toeslagen, verweerder  </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).   </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag van eiser over 2020 definitief vastgesteld en een bedrag aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft in 2019 zorgtoeslag aangevraagd. Bij voorschotbeschikking van 27 december 2019 heeft verweerder aan eiser zorgtoeslag toegekend voor 2020, op basis van een schatting van het jaarinkomen van eiser en zijn toeslagpartner. Het gezamenlijk toetsingsinkomen is daarbij geschat op € 23.812,-. <?linebreak?></para>
    <para>2. Bij de definitieve berekening is het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner vastgesteld op € 32.057,-. Eiser heeft € 1.128,- teveel aan zorgtoeslag als voorschot ontvangen, wat verweerder van eiser terugvordert. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij niet meer samenwoont met zijn toeslagpartner. De echtscheiding is inmiddels in gang gezet. Verweerder is in het bestreden besluit niet tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</bridgehead>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat de definitieve aanslag moet worden kwijtgescholden, dan wel gematigd, omdat het jaarinkomen van zijn ex-partner ten onrechte is meegenomen in de berekening van de zorgtoeslag over 2020. Hij stelt dat hij en zijn ex-partner weliswaar nog gehuwd waren in 2020, maar feitelijk gescheiden van elkaar leefden en beiden stonden ingeschreven op een ander BRP-adres. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat verweerder vanwege de bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de wettelijke regeling.<footnote-ref linkend="_db1f484f-0c32-4478-a1fa-f902b1436f16" /> Eiser was in de betreffende periode namelijk gedetineerd, gevolgd door een klinische opname. Hij was hierdoor niet in staat contact te leggen met zijn ex-partner, wat mede werd bemoeilijkt omdat er een contactverbod was opgelegd. Eiser kon hierdoor geen echtscheidingsverzoek indienen. Terugvordering is volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_8001852f-41b9-4c7c-bc1a-70a4a646abbb" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kan verweerder afzien van terugvordering of het terug te vorderen bedrag matigen. Er is volgens het beleid echter geen sprake van een bijzondere omstandigheid indien de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.<footnote-ref linkend="_ecf161e5-f6c6-42cd-b441-5d67f3844d38" /> Dit is de situatie van eiser, zodat verweerder op grond van het beleid niet gehouden was van terugvordering af te zien of het terug te vorderen bedrag te matigen.  <?linebreak?>4.2	Volgens het beleid kan er, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die – op zichzelf of in samenhang – wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen. Ook in de omstandigheid dat eiser gedetineerd was en er sprake was van een contactverbod, waardoor de echtscheidingsprocedure niet in gang kon worden gezet, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de teveel betaalde zorgtoeslag niet terug te vorderen of het terug te vorderen bedrag te matigen. Deze omstandigheid is ook anders dan die aan de orde was in de uitspraak waar eiser op heeft gewezen, waar de terugvordering was ontstaan vanwege de nabetaling van een bijstandsuitkering. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiser het echtscheidingsverzoek via een gemachtigde bij de rechtbank had kunnen indienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft opgemerkt dat de omstandigheid dat eiser een bijstandsuitkering ontvangt en dus vanwege zijn financiële situatie niet in staat is aan de terugvordering te voldoen, volgens het beleid in het algemeen ook geen reden is om de terugvordering te matigen. Een persoonlijke betalingsregeling zou in dit geval mogelijk wel uitkomst kunnen bieden.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
        </para>
        <para>5.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering van verweerder in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Moorman, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_db1f484f-0c32-4478-a1fa-f902b1436f16" label="1">
    <para> Hij heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1586.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8001852f-41b9-4c7c-bc1a-70a4a646abbb" label="2">
    <para> Eiser doet hierbij een beroep op artikel 13b, eerste en tweede lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecf161e5-f6c6-42cd-b441-5d67f3844d38" label="3">
    <para> Verzamelbesluit Toeslagen, besluit van 11 januari 2021, nr. 2020-179259, onder 2.1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>