<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-30T13:04:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.25614</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:644">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-25T14:47:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:644 Rechtbank Den Haag , 17-01-2023 / NL22.25614</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:644:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Bulgarije, de rechtbank en de Afdeling hebben verweerder eerder opgedragen om onderzoek te doen naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten. Dit heeft verweerder niet gedaan, daarom kan verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Besluit is daarom in strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en is niet deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:644:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25614</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] </emphasis>, eiser V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. A.S. van den Anker).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Procesverloop</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.25615, op 10 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
      <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat de informatie over pushbacks in Bulgarije niet ziet op Dublinclaimanten. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 13 juni 20221, zittingsplaats</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="28a9b554-4f29-4e65-bac7-4bbe4430fc35" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ECLI:NL:RBMNE:2022:2268.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Haarlem van 29 juli 20222, zittingsplaats Roermond van 6 september 20223 en zittingsplaats Amsterdam van 10 oktober 20224, waarin is bepaald dat verweerder nader onderzoek moet doen naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije. Tegen de eerste uitspraak heeft verweerder geen hoger beroep ingesteld. In die zaak is een nieuw besluit genomen, dat is vernietigd door rechtbank Den Haag op 25 augustus 2022.5 Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 7 oktober 2022 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.6 Het standpunt van verweerder, dat slechts sprake is van een motiveringsgebrek en dat geen nader onderzoek is vereist, is volgens eiser dan ook onjuist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen nader onderzoek is vereist naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije. In de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 juni 2022 heeft de rechtbank verweerder opgedragen om nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten in Bulgarije. Hiertegen heeft verweerder geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze uitspraak in rechte vast staat. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak een aanvullend besluit genomen, waartegen beroep is ingesteld. Dit beroep is op 25 augustus 2022 door rechtbank Den Haag gegrond verklaard7, waarbij de rechtbank het volgende heeft geoordeeld:</para>
    <para>“<emphasis role="italic">De rechtbank oordeelt dat verweerder niet heeft voldaan aan wat hem was opgedragen in de uitspraak van 13 juni 2022. Verweerder heeft namelijk geen nader onderzoek verricht, maar in het bestreden besluit opnieuw het standpunt ingenomen dat de pushbacks niet relevant zijn voor Dublinclaimanten. Dit standpunt van verweerder miskent de kracht van gewijsde van de uitspraak van 13 juni 2022. De rechtbank overweegt dat als verweerder het niet eens was met het oordeel in die uitspraak, hij hoger beroep had moeten instellen. Nu hij dat niet heeft gedaan moet er worden uitgegaan van de juistheid van dat oordeel.</emphasis>”</para>
    <para />
    <para>4. Deze uitspraak is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2022. In deze uitspraak is overwogen:</para>
    <para>“<emphasis role="italic">De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt deze motivering over”. </emphasis>De rechtbank concludeert hieruit dat ook de Afdeling oordeelt dat verweerder nader onderzoek moet doen naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft geen nader onderzoek gedaan naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije. Het bestreden besluit is dan ook genomen is strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vereiste dat het dient te berusten op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.</para>
    <para />
    <para>6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.</para>
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="ed1942a2-6b8d-4f9e-995b-ee990630297c" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>ECLI:NL:RBDHA:2022:8348.</title>
    <para>3 ECLI:NL:RBLIM:2022:6805.</para>
    <para>4 ECLI:NL:RBAMS:2022:5792.</para>
    <para>5 ECLI:NL:RBDHA:2022:8710.</para>
    <para>6 ECLI:NL:RVS:2022:2891.</para>
    <para>7 ECLI:NL:RBDHA:2022:8710.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van</para>
    <para>€ 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr.</para>
      <para>M.A.W.M. Engels, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>17 januari 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="fc8d75da-cc3f-4490-a101-19da1439e3f2" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [documentcode]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>