<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:6236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-09T09:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.11267</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-08T14:52:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:6236 Rechtbank Den Haag , 26-04-2023 / NL23.11267</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:6236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>maatregel van bewaring - artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 - voortvarendheid - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:6236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.11267</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2023 op zitting behandeld. Eiser was met zijn gemachtigde aanwezig via een beeldverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Letse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1977.</para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;<?linebreak?>en als lichte gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. <?linebreak?>Eiser betoogt dat zware grond 3a niet op hem van toepassing is. Hij is namelijk met een geldig paspoort ingereisd. Dat hij zich niet direct heeft gemeld bij de korpschef kan niet als onderbouwing gelden voor deze zware grond. Tot slot betoogt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat zijn vlucht pas op 24 april 2023 staat gepland. Omdat eiser een geldig paspoort heeft, had verweerder sneller moeten handelen.</para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van zware grond 3a, niet zijn betwist door eiser. Deze onbestreden gronden zijn van toepassing en voldoende om aan te nemen dat er een significant risico op onderduiken bestaat en kunnen de maatregel dragen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook zware grond 3a terecht aan eiser is tegengeworpen. Aan eiser is bij besluit van 7 april 2021 een verwijderingsmaatregel opgelegd. Niet is gebleken dat eiser op het moment dat hij in bewaring is gesteld volledig heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit. Als gevolg hiervan dient eiser zich te melden als hij in weerwil hiervan toch Nederland binnenkomt. Het enkele feit dat eiser in het bezit is van een paspoort en Unieburger is, maakt dus in dit geval niet dat hij op een voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen<footnote-ref linkend="_4a7fc494-89a4-4d99-99db-7f9ab2df00c9" />.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="underline">Voortvarendheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij een burger van de Unie<footnote-ref linkend="_0b620db3-56b4-4a2b-b1ff-068a4423ac8c" /> en bij een vreemdeling die beschikt over een geldig en op zijn naam gesteld paspoort<footnote-ref linkend="_0ee387b0-5d49-4a16-b27f-c82c6e610b65" /> een meer dan gebruikelijke voortvarendheid moet betrachten. Dat heeft verweerder in dit geval gedaan door op 14 april 2023 (een dag na de inbewaringstelling) een vertrekgesprek met eiser te voeren en op 17 april 2023 een vlucht aan te vragen. Een vertrekgesprek en het aanvragen van een vlucht zijn handelingen die van directe betekenis zijn voor de uitzetting van eiser. Het enkele feit dat de vlucht van eiser op 24 april 2023 (een week en vier dagen na de inbewaringstelling) staat gepland en dat er meerdere vluchten per week naar Letland gaan, leidt volgens de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4a7fc494-89a4-4d99-99db-7f9ab2df00c9" label="1">
    <para> Zie voor het voorgaande ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b620db3-56b4-4a2b-b1ff-068a4423ac8c" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ee387b0-5d49-4a16-b27f-c82c6e610b65" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>