<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:6124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-04T14:24:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/3368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6124">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-04T14:24:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:6124 Rechtbank Den Haag , 04-04-2023 / AWB 22/3368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:6124:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vovo hangende bezwaar - artikel 64 vw - uitstel van vertrek - verzoek afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:6124:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 22/3368</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. Erik),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G. Erdal).   </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 3 mei 2022 heeft verweerder het verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door mr. [naam], een waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Gunez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang nu verweerder geen concreet voornemen heeft om verzoeker op korte termijn uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen.</para>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang van verzoeker gegeven met de vaststelling dat uitzetting dreigt voordat op het bezwaar zal zijn beslist. Dat er in het geval van verzoeker geen sprake is van een concreet voornemen tot uitzetting, doet aan de conclusie van de voorzieningenrechter niet af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bestreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. Verweerder heeft de aanvraag om toepassing van artikel 64 van Vw afgewezen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 4 april 2022. Hierin staat dat er bij het uitblijven van een behandeling een medische noodsituatie op korte termijn zal optreden, maar dat verzoeker in staat is om te reizen en dat de noodzakelijke medische behandeling en medicatie in Turkije aanwezig is. Volgens verweerder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. Zo heeft hij nagelaten aan te tonen wat de daadwerkelijke kosten zijn van de noodzakelijke medische zorg en heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten niet kan betalen, hij geen familieleden heeft die hem kunnen ondersteunen en geen goedkopere alternatieve behandeling beschikbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gronden van het verzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Verzoeker voert aan dat hij medisch gezien niet in staat is om te reizen en dat hij in Turkije te vrezen heeft voor een schending van artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_8c304fd0-9375-4ac6-8a88-1cf048811210" />, gelet op zijn medische omstandigheden. In Turkije heeft hij geen toegang tot een medische behandeling. Het onderzoek van het BMA is onzorgvuldig geweest nu het BMA zich beroept op informatie van een vertrouwensarts wiens identiteit onbekend is. Ook indien de behandeling wel beschikbaar zou zijn, is het voor verzoeker feitelijk niet toegankelijk, nu verzoeker geen netwerk heeft en niet beschikt over financiële middelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Oordeel van de voorzieningenrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_4361db2c-c7af-4495-b325-013271482d53" /> van de hoogste bestuursrechter is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Een vreemdeling kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een BMA-advies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een BMA-advies aan de orde stellen dan wel in het kader van artikel 8:47 van de Awb concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan<footnote-ref linkend="_8d459300-a67f-4c88-84c7-f42ff3cf73f7" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter ziet allereerst geen grond voor het oordeel dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies nu de naam van de vertrouwensarts niet staat vermeld. Het BMA mag bij zijn beoordeling van de in het buitenland beschikbare medische behandeling uitgaan van de informatie van vertrouwensartsen<emphasis role="bold">.</emphasis><footnote-ref linkend="_cde39cb6-9d1f-4812-913d-cf9123ec6746" /> De identiteit van deze artsen hoeft niet bekend te worden gemaakt.<footnote-ref linkend="_01b34053-2b45-4cc2-91c9-56852c0e1cc3" /></para>
        <para>Dat de naam van de arts niet wordt vermeld, maakt het onderzoek dus niet onzorgvuldig.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit dit advies volgt dat het achterwege laten van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie voor wat betreft de behandeling ten aanzien van de kanker. Het BMA heeft voorts gerapporteerd dat noodzakelijke medische behandeling in Turkije beschikbaar is. De enkele, niet onderbouwde stelling van verzoeker dat dit voor hem ontoegankelijk is omdat hij niet over een netwerk beschikt, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Met betrekking tot het betoog van verzoeker dat hij niet over de financiële middelen beschikt, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 maart 2019<footnote-ref linkend="_e14af2bb-f072-4636-9fe4-1705c061d229" />, onder verwijzing naar het arrest Paposhvili<footnote-ref linkend="_299e856f-dc2e-4264-804d-ea259fda1726" />, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische behandeling en medicatie om financiële redenen niet toegankelijk voor hem zijn. Uit de overgelegde stukken van de STEK volgt weliswaar dat hij het niet breed heeft in Nederland, maar hiermee heeft hij niet onderbouwd dat hij in Turkije geen aanspraak kan maken op (charitatieve) zorginstellingen of gebruik kan maken van een zorgverzekering. De vreemdeling dient daarbij ook aan te tonen wat de kosten van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn, hetgeen verzoeker heeft nagelaten. Verzoeker heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in Turkije vanwege financiële redenen de noodzakelijke behandeling en medicatie voor hem niet toegankelijk zijn. De enkele stelling dat dit volgt uit de omstandigheid dat hij in Nederland in de noodopvang verbleef en geen zorgverzekering heeft afgesloten in Turkije, acht de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande onvoldoende. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de noodzakelijke medische behandeling voor verzoeker niet toegankelijk is waardoor verzoeker een reëel risico zou lopen op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat ook bij afweging van de betrokken belangen geen grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_8c304fd0-9375-4ac6-8a88-1cf048811210" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4361db2c-c7af-4495-b325-013271482d53" label="2">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7425.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d459300-a67f-4c88-84c7-f42ff3cf73f7" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cde39cb6-9d1f-4812-913d-cf9123ec6746" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NLRVS:2017:2629.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01b34053-2b45-4cc2-91c9-56852c0e1cc3" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7866.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e14af2bb-f072-4636-9fe4-1705c061d229" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:986.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_299e856f-dc2e-4264-804d-ea259fda1726" label="7">
    <para> Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>