<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:5753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-21T10:30:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.10556</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:5753">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:5753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-21T10:29:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:5753 Rechtbank Den Haag , 17-04-2023 / NL23.10556</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:5753:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – beroep ongegrond – schadevergoeding afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:5753:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.10556</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 4 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_6b2bbccb-a3f1-4677-b296-71cd966fb0df" /> opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daarop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek</para>
      <para>op 13 april 2023 gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te</para>
    <para>hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de</para>
    <parablock>
      <para>maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij</para>
      <para>betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel</para>
      <para>96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of</para>
      <para>een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft</para>
    <parablock>
      <para>getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van</para>
      <para>22 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12648. Vervolgens is twee maal eerder een vervolgberoep ingediend. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2404, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 21 februari 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder rappelleert op algemene wijze, waarbij niet wordt aangedrongen op een presentatie in persoon. Om tot de afgifte van een LP<footnote-ref linkend="_46891477-6ee6-423b-8daa-59926d03096a" /> te komen is een presentatie bij het Marokkaanse consulaat vereist. Nu verweerder enkel algemeen en dus minder indringend rappelleert, handelt verweerder onvoldoende effectief en dan ook onvoldoende voortvarend, aldus eiser.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage van 7 april 2023 volgt dat het Marokkaanse consulaat in Rotterdam de nationaliteit van degene met de door eiser gestelde identiteit op 16 februari 2023 heeft bevestigd. Hiermee is echter nog niet vastgesteld dat eiser degene is die deze identiteit heeft, waardoor nog een presentatie nodig is. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de DIA<footnote-ref linkend="_a7688f79-16a2-4413-858d-79830522fa04" /> de regievoerder op een later moment zal informeren over de datum waarop eiser gepresenteerd kan worden. Verweerder moet in eerste instantie enige tijd worden gegund om dit af te wachten. In de tussentijd heeft verweerder wel een vertrekgesprek gevoerd met eiser op 15 maart 2023 en de LP-aanvraag op 6 april 2023 schriftelijk gerappelleerd, dus heeft verweerder niet stilgezeten. Niet kan gesteld worden dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De enkele stelling van eiser dat verweerder op algemene wijze rappelleert, is ook onvoldoende om te concluderen dat verweerder de uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt.</para>
    <para />
    <para>6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.<footnote-ref linkend="_bf92943f-32b1-40a6-8b22-6ad816f3d9f0" /></para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van                     mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6b2bbccb-a3f1-4677-b296-71cd966fb0df" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46891477-6ee6-423b-8daa-59926d03096a" label="2">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7688f79-16a2-4413-858d-79830522fa04" label="3">
    <para> Directie Internationale Aangelegenheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf92943f-32b1-40a6-8b22-6ad816f3d9f0" label="4">
    <para> Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>