<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:5041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-26T09:00:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 22 _ 7137</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:5041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:5041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-13T13:41:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:5041 Rechtbank Den Haag , 12-04-2023 / AWB - 22 _ 7137</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:5041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet openheid van bestuur. Niet ongeloofwaardig niet meer documenten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:5041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/7137</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">mr. [eiser], wonend in Italië, eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. W.E. Pors).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 8 november 2022 een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 november 2022 heeft verweerder een besluit op het Woo-verzoek genomen en aan eiser toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2023.</para>
      <para>Eiser is verschenen. Ook was mr. [A] aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [B]. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 23 september 2022 een Woo-verzoek ingediend. Het verzoek ziet op de mandatering van het voorzitterschap van de ledenraad en diverse andere gegevens. Verweerder heeft een aantal documenten verstrekt en gesteld dat de andere gevraagde documenten niet zijn aangetroffen. Eiser vindt dit niet geloofwaardig.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 8 november 2022 heeft beslist op het Woo-verzoek, zodat eiser geen belang meer heeft bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt dat in een geval als dit alleen de kosten die een professionele gemachtigde maakt voor het indienen van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kunnen worden vergoed. Aangezien eiser het beroep zelf heeft ingediend, zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een oordeel over de vraag of verweerder op tijd heeft beslist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Dwangsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Voor zover eiser stelt dat verweerder door het niet tijdig nemen van een besluit een dwangsom heeft verbeurd, stelt de rechtbank vast dat de Wet Dwangsom niet van toepassing is op de Woo.<footnote-ref linkend="_8edbcd01-0592-4081-894e-c1decac646cc" /> Verweerder heeft dus geen dwangsom verbeurd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing op het Woo-verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft op 2 januari 2023 beslist op het bezwaarschrift dat eiser tegen het besluit van 8 november 2022 heeft ingediend. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Aangezien het beroep al mede is gericht tegen het besluit van 8 november 2022 merkt de rechtbank dit aan als een aanvullend besluit. Het beroep is ook gericht tegen dit aanvullende besluit.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser voert -kort gezegd- aan dat hij het niet geloofwaardig vindt dat er niet meer informatie te vinden is, omdat dat onwaarschijnlijk is. Eiser stelt ook dat verweerder de informatie niet tegelijk met de bekendmaking van het besluit verstrekt.<footnote-ref linkend="_201c1db2-845d-492d-a926-16058a55299f" /></para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt dat verweerder in het aanvullend besluit heeft toegelicht dat hij uitvoerig heeft gezocht naar relevante documenten, maar dat die niet zijn  aangetroffen. De rechtbank acht het niet ongeloofwaardig dat verweerder niet meer documenten heeft gevonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevraagde documenten wel bij verweerder berusten. De stelling van eiser dat verweerder de gevraagde documenten, zoals schriftelijke mandaten, op grond van de Awb had moeten opstellen doet er niet aan af dat verweerder de documenten niet heeft aangetroffen. De rechtbank overweegt dat verweerder de documenten tegelijk met het besluit tot openbaarmaking aan eiser heeft verstrekt. Daarmee zijn de stukken openbaar geworden. Verweerder is niet verplicht om de stukken daarnaast tegelijkertijd op een voor iedereen toegankelijke wijze openbaar te maken. Het besluit van 8 november 2022 kan dan ook in stand blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusies</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 8 november 2022 is ongegrond. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om eiser, zoals verweerder heeft verzocht, te veroordelen in de proceskosten van verweerder. Procederende burgers kunnen alleen in zeer uitzonderlijke gevallen in de proceskosten worden veroordeeld, bijvoorbeeld als sprake is van verwijtbaar onnodig procederen. Eiser heeft een aantal Wob- en Woo-verzoeken ingediend en in een kleiner aantal zaken beroep ingesteld. Dit aantal is onvoldoende aanleiding om eiser te veroordelen in de proceskosten. Het hoefde voor eiser bij het indienen van zijn verzoeken en/of bezwaren en beroepen daarnaast ook niet evident te zijn dat die niet tot een positief resultaat zouden leiden. </para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 november 2022 ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8edbcd01-0592-4081-894e-c1decac646cc" label="1">
    <para> Artikel 8:2 van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_201c1db2-845d-492d-a926-16058a55299f" label="2">
    <para> Als bedoeld in artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>