<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:4836</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-06T16:47:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2023:2555</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.3698 en NL23.3699</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:4836">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:4836</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-06T14:53:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:4836 Rechtbank Den Haag , 20-03-2023 / NL23.3698 en NL23.3699</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:4836:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder nader onderzoek dient te doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Bulgarije voordat hij zich op het standpunt kan stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. Pushbacks zijn een fundamentele systeemfout in de asielprocedure van Bulgarije, die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid heeft bereikt. Die systeemfout is ook relevant voor Dublinclaimanten. Het beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:4836:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: 	NL23.3698 (beroep)</para>
      <para>		NL23.3699 (voorlopige voorziening)</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser/verzoeker,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna: eiser,</para>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: drs. F. Gieskes).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 6 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Othman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_fef7395c-784b-4ba8-88a3-2bfe0f9ec18e" />; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_ca79d64a-4c34-4743-8da1-5e98917beb4d" />is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De gronden van beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Daarbij wijst hij erop dat Bulgarije zich schuldig maakt aan pushbacks van asielzoekers, en dat eiser in Bulgarije slecht is behandeld. Hij is gedetineerd en mishandeld, waarbij hij geen mogelijkheid had om te klagen bij de autoriteiten. In Bulgarije wordt eisers aanvraag als ingetrokken beschouwd, en het is onduidelijk wat zijn positie zal zijn bij terugkeer naar Bulgarije. Eiser wijst verder op prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 15 juni 2022<footnote-ref linkend="_3022e0d4-fb82-47bd-abd6-e7eb37e81645" />; op de aanhouding van twee bij de Afdeling<footnote-ref linkend="_29d78e9e-7a0a-488d-99d1-f081b935b9bb" /> aanhangige hoger beroepen<footnote-ref linkend="_f0bc0ac4-5a4e-4213-b30b-ca2ec99161c4" />; en op uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank.<footnote-ref linkend="_8dfc893d-2352-4ce8-b50d-94f1335c56c0" /> Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij overdracht aan Bulgarije niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_1f95e99a-a107-4f2b-b432-baeb89aeceee" /> en artikel 4 van het Handvest<footnote-ref linkend="_8de398a1-5f81-44d2-8a6e-5c037383a4e2" />.</para>
    <para>Verder doet eiser in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden: eiser komt uit Syrisch gebied dat in februari 2023 door de aardbeving is getroffen. Hij heeft hulp en ondersteuning gevonden bij zijn familieleden in Nederland. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De beoordeling van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder nader onderzoek dient te doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Bulgarije voordat hij zich op het standpunt kan stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Voor de motivering van dat oordeel sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 juli 2022<footnote-ref linkend="_af02b379-d39c-42d8-bfca-9ce5b29af2ad" /> en bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2023<footnote-ref linkend="_4606305e-a5f7-4385-ad23-f59de819a916" />. Kort gezegd is de rechtbank, net als in die uitspraken, van oordeel dat pushbacks een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure van Bulgarije, die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid heeft bereikt. In de door eiser ingebrachte landeninformatie en de ambtshalve bij de rechtbank bekende landeninformatie zijn aanknopingspunten dat die systeemfout ook relevant is voor Dublinclaimanten. Daaruit blijkt namelijk dat de pushbacks in Bulgarije niet incidenteel, maar al geruime tijd en op grote schaal plaatsvinden. Zo vermeldt het AIDA-rapport (update 2020) dat er zowel 498 indirecte pushbacks van 3.493 individuen, alsook 569 directe pushbacks van 11.770 personen hebben plaatsgevonden in 2020. Het AIDA-rapport (update 2021) vermeldt dat er in 2021 2.513 pushbackincidenten zijn geregistreerd, waarbij 44.988 personen zijn betrokken. De landeninformatie bevat aanknopingspunten dat pushbacks ook plaatsvinden bij vreemdelingen die zich op afstand van de grens op het grondgebied van Bulgarije bevinden. Daarnaast laten de twee meest recente AIDA-rapporten over Bulgarije een stijging zien in het aantal personen dat slachtoffer wordt van pushbacks. Van 11.770 personen in 2020 naar 44.988 personen in 2021. Gelet hierop en omdat Dublinclaimanten zich in de regel als asielzoekers vrij op het grondgebied van Bulgarije kunnen bewegen, had verweerder nader onderzoek moeten doen naar het risico dat eiser loopt om door Bulgarije te worden uitgezet zonder behandeling van zijn asielverzoek, dan wel tijdens de behandeling daarvan. Nu verweerder dat onderzoek tot op heden niet heeft gedaan, ziet de rechtbank geen reden om anders te oordelen dan in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 juli 2022 en de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2023. </para>
      <para />
      <para>4. Voor zover eiser andere gronden naar voren heeft gebracht, behoeven die geen verdere bespreking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie van het beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder dient daarom een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor het nemen van een nieuw besluit stelt de rechtbank een termijn van zes weken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzoek om een voorlopige voorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Omdat op het beroep is beslist, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskostenveroordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.511,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter: </para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van               € 2.511,-. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Vaalburg, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fef7395c-784b-4ba8-88a3-2bfe0f9ec18e" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca79d64a-4c34-4743-8da1-5e98917beb4d" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3022e0d4-fb82-47bd-abd6-e7eb37e81645" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29d78e9e-7a0a-488d-99d1-f081b935b9bb" label="4">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0bc0ac4-5a4e-4213-b30b-ca2ec99161c4" label="5">
    <para> Zaaknummers 202206043/1/V3 en 202205283/1/V3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8dfc893d-2352-4ce8-b50d-94f1335c56c0" label="6">
    <para> Zittingsplaats Amsterdam, uitspraak van 24 januari 2023, NL22.254431; zittingsplaats Utrecht, uitspraak van 27 januari 2023, NL22.2771, van 23 januari 2023, NL22.25873, en van 17 januari 2023, NL22.2570 en NL22.26054; zittingsplaats Roermond, uitspraak van 20 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:476, en van 18 januari 2023, NL22.24171; zittingsplaats Arnhem, uitspraak van 19 december 2022, NL22.24052; zittingsplaats Haarlem, uitspraak van 14 december 2022, NL22.23531. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f95e99a-a107-4f2b-b432-baeb89aeceee" label="7">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8de398a1-5f81-44d2-8a6e-5c037383a4e2" label="8">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_af02b379-d39c-42d8-bfca-9ce5b29af2ad" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:8348. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4606305e-a5f7-4385-ad23-f59de819a916" label="10">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:2454. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>