<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:475</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-20T11:45:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.8435</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:475">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:475</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-20T11:44:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:475 Rechtbank Den Haag , 18-01-2023 / NL22.8435</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:475:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig beslissen – geen besluit – acht weken – dwangsom – gegrond – pkv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:475:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.8435</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 11 mei 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn</para>
      <para>asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de</para>
      <para>Awb.<footnote-ref linkend="_fa6df834-fdca-4aef-a038-3965f22dce63" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing</para>
    <parablock>
      <para>van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit</para>
      <para>met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het</para>
      <para>beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een</para>
      <para>besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling</para>
      <para>door het bestuursorgaan is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 18 juli 2021 een asielaanvraag ingediend. Op grond van</para>
    <para>artikel 42, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_85fa2b0b-a002-4eca-b58c-a8c8583d6d71" /> bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 18 januari 2022 een beslissing had moeten nemen.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een</para>
    <parablock>
      <para>beslissing op de aanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 21 april 2022</para>
      <para>rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. De ingebrekestelling is door verweerder op 22 april 2022 ontvangen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld en in die periode heeft verweerder niet alsnog beslist. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder op te dragen een besluit te</para>
    <parablock>
      <para>nemen binnen een termijn van twee weken en te bepalen dat verweerder een dwangsom aan</para>
      <para>eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het</para>
    <parablock>
      <para>bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten</para>
      <para>met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn</para>
      <para>stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Zoals de Afdeling<footnote-ref linkend="_92dab35a-9ecb-460b-b759-61c198c14c5d" /> heeft overwogen<footnote-ref linkend="_9321588b-f2d4-49d5-bc81-87c5ef2dfa1a" />, houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt.<footnote-ref linkend="_cc723139-3d76-47be-be03-7380dcd25e1e" /> De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een nader gehoor en een termijn van acht weken hierna</para>
    <para>voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank stelt vast dat van eiser op 17 november 2019 en 4 augustus 2021 aanmeldgehoren zijn afgenomen. Niet is gebleken dat eiser nader zal moeten worden</para>
    <parablock>
      <para>gehoord. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de</para>
      <para>dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit aan eiser bekendmaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022<footnote-ref linkend="_47d1d711-858c-423e-b783-e61e08e2fd1d" /> volgt dat artikel 1 van de</para>
    <parablock>
      <para>Tijdelijke wet<footnote-ref linkend="_cbb9031f-ec5c-46c1-a385-0e073b820fe8" />, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is, voor zover daarin is</para>
      <para>bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van</para>
      <para>toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel</para>
      <para>voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat de</para>
      <para>bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een</para>
      <para>besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat de staatssecretaris</para>
      <para>binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een</para>
      <para>nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat de staatssecretaris in gebreke blijft de</para>
      <para>uitspraak na te leven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor</para>
    <parablock>
      <para>elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met</para>
      <para>een maximum van € 7.500.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser</para>
    <parablock>
      <para>gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten</para>
      <para>bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op</para>
      <para>€ 379,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per</para>
      <para>punt van € 759 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van</para>
      <para>oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro)</para>
    <parablock>
      <para>verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met</para>
      <para>een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de</para>
      <para>rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt</para>
      <para>aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_fa6df834-fdca-4aef-a038-3965f22dce63" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_85fa2b0b-a002-4eca-b58c-a8c8583d6d71" label="2">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92dab35a-9ecb-460b-b759-61c198c14c5d" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9321588b-f2d4-49d5-bc81-87c5ef2dfa1a" label="4">
    <para> Uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc723139-3d76-47be-be03-7380dcd25e1e" label="5">
    <para> Dit volgt ook uit artikel 31, tweede lid, richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47d1d711-858c-423e-b783-e61e08e2fd1d" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3353.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbb9031f-ec5c-46c1-a385-0e073b820fe8" label="7">
    <para> Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>