<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:4177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-26T18:33:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/642723 / FA RK 23-1091</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:4177">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:4177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-30T08:25:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:4177 Rechtbank Den Haag , 23-03-2023 / C/09/642723 / FA RK 23-1091</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:4177:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Internationale kinderontvoering van Nederland naar Syrië. Verzoek van de moeder tot teruggeleiding naar Nederland vanuit Syrië is toegewezen. De rechtbank acht zich bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv van het verzoek kennis te nemen. De vader is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. Onweersproken is gebleven dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voor hun overbrenging naar Syrië in Nederland was, dat de ouders samen het gezag over de kinderen uitoefenen en dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar Syrië. Verder is niet gebleken van weigeringsgronden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:4177:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<para>
<emphasis role="bold caps">
Rechtbank Den HAAG
</emphasis>
</para>
<parablock>
<para>
Enkelvoudige Kamer
</para>
</parablock>
<parablock>
<para>
Rekestnummer: FA RK 23-1091
</para>
<para>
Zaaknummer: C/09/642723
</para>
<para>
Datum beschikking: 23 maart 2023
</para>
</parablock>
<section>
<title>
Internationale kinderontvoering
</title>
<para />
</section>
<section>
<title>
Beschikking op het op 15 februari 2023 ingekomen verzoek van:
</title>
<para />
</section>
<section>
<title>
[naam01] ,
</title>
<parablock>
<para>
de moeder,
</para>
<para>
wonende te [woonplaats01] ,
</para>
<para>
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
[naam02] ,
</title>
<parablock>
<para>
de vader,
</para>
<para>
ingeschreven op een adres te [plaats01] , feitelijk verblijvende op een onbekend adres in Syrië.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
</section>
<section>
<title>
Procedure
</title>
<para>
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
Op 9 maart 2023 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
</para>
</parablock>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
[naam03] en [naam04] (tolk voor de moeder);
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
[naam05] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
<parablock>
<para>
De vader is aangetekend en per gewone post opgeroepen voor de zitting op het adres dat staat opgenomen in zijn uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen. De vader is, hoewel hij op de juiste wijze is opgeroepen, niet tijdens de zitting verschenen.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
Feiten
</title>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum huwelijk01] 2012 te [plaats huwelijk01] , [gemeente01] , Syrië.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para>
- [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] , Syrië,
</para>
<para>
- [minderjarige02] , geboren op [geboortedatum02] 2014 te [geboorteplaats02] , Libanon.
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] uit.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
Bij beschikking van [beschikkingsdatum] 2022 van de rechtbank [plaats] is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
In het ouderschapsplan zijn de ouders – voor zover hier aan de orde – overeengekomen dat zij gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen over de kinderen na de echtscheiding, dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en dat de vader elke zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur contact met de kinderen zal hebben. Verder hebben zij afgesproken dat partijen zullen overleggen bij een voorgenomen verhuizing door één der partijen.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
Blijkens het uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen (hierna: de BRP) hebben de moeder, de vader en de kinderen de Syrische nationaliteit.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
Blijkens de BRP staat de moeder sinds [datum 1] 2021 ingeschreven in Nederland, en de vader en de kinderen sinds [datum 2] 2022. De kinderen staan sinds [datum 3] 2022 ingeschreven op het adres van de moeder.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
Op 1 januari 2023 heeft de vader de kinderen niet volgens afspraak bij de moeder teruggebracht, en is de vader met de kinderen naar Syrië vertrokken.
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
De moeder heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
</section>
<section>
<title>
Verzoek en verweer
</title>
<para>
De moeder heeft verzocht:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] te bevelen, althans uiterlijk op 1 maart 2023 doch uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze, waarbij de vader de kinderen dient terug te brengen naar het adres [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats02] ;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
subsidiair te bevelen, voor het geval de vader nalaat de kinderen binnen de door de rechtbank te stellen termijn terug te laten keren naar het adres [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats02] , dat de vader het paspoort en de benodigde geldige reisdocumenten van de kinderen aan de moeder zal afgeven, onmiddellijk, doch uiterlijk op 1 maart 2023, althans op een door de rechtbank te bepalen datum en wijze, opdat de moeder de kinderen zelf mee terug kan nemen naar het adres [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats02] ;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de vader te veroordelen tot betaling van een nog te specificeren bedrag aan de moeder ter zake van de gemaakte daadwerkelijke proceskosten die de moeder in verband met de ontvoering en het verzoek tot teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken;
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para>
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
De vader is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
Beoordeling
</title>
<parablock>
<para>
<emphasis role="underline">
Rechtsmacht
</emphasis>
</para>
<para>
De moeder heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van deze zaak kennis te nemen onweersproken gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), de Uitvoeringswet en artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Echter, omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat de kinderen zijn overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – Syrië – is geen partij bij het Verdrag. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
De woonplaats van de moeder (verzoekster) is in Nederland. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085) en de beschikkingen van het hof Den Haag van 28 augustus 2019 (ECLI:GHDHA:2019:2286) en 19 oktober 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="underline">
Relatieve bevoegdheid
</emphasis>
</para>
<para>
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="underline">
Inhoudelijke beoordeling
</emphasis>
</para>
<para>
Hoewel Syrië geen partijen is bij het Verdrag, past de rechtbank op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering het Verdrag analoog toe.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
</emphasis>
</para>
<para>
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
</para>
<para>
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Gewone verblijfplaats en gezagsrecht
</emphasis>
</para>
<para>
Onweersproken is dat [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Syrië in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden. Evenmin is in geschil dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu ook niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Syrië en dat de overbrenging van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] naar Syrië is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] naar Syrië aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
</emphasis>
</para>
<para>
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] naar Syrië en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] in Syrië zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Weigeringsgronden
</emphasis>
</para>
<para>
Nu niet gebleken is van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] te volgen.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Teruggeleiding
</emphasis>
</para>
<para>
De moeder heeft de rechtbank verzocht de teruggeleiding van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] te gelasten naar het adres [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats02] . De rechtbank is van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het Verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifiek adres. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verzoek van de moeder om de teruggeleiding van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] te gelasten naar een specifiek adres en zal de teruggeleiding gelasten naar Nederland.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
De rechtbank zal de teruggeleiding van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de moeder pas aan de orde komt als de vader niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] terug te geleiden naar Nederland.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Schorsing tenuitvoerlegging
</emphasis>
</para>
<para>
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Syrië kunnen afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk
<emphasis role="bold">
10 april 2023
</emphasis>
, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
<para>
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de door hem ter zake van de teruggeleiding gemaakte kosten bij gebreke van (enige) onderbouwing van die kosten afwijzen. Zij zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
</section>
<section role="beslissing">
<title>
Beslissing
</title>
<para>
De rechtbank:
</para>
<para />
<parablock>
<para>
gelast de terugkeer van de minderjarigen:
</para>
</parablock>
<para>
- [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] , Syrië, en
</para>
<para>
- [minderjarige02] , geboren op [geboortedatum02] 2014 te [geboorteplaats02] , Libanon,
</para>
<para>
naar Nederland uiterlijk op
<emphasis role="bold">
10 april 2023
</emphasis>
, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Nederland en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Nederland, dat de vader de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op
<emphasis role="bold">
10 april 2023
</emphasis>
, opdat de moeder de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Nederland;
</para>
<para />
<parablock>
<para>
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
wijst af het meer of anders verzochte.
</para>
</parablock>
<para />
<informaltable>
<tgroup cols="3">
<colspec colname="colA" />
<colspec colname="colB" />
<colspec colname="colC" />
<tbody>
<row>
<entry nameend="colC" namest="colA">
<para>
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 maart 2023.
</para>
</entry>
</row>
<row>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
</row>
<row>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
</row>
<row>
<entry nameend="colC" namest="colA">
<para>
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.
</para>
</entry>
</row>
<row>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
<entry>
<para />
</entry>
</row>
</tbody>
</tgroup>
</informaltable>
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
<para />
</section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>