<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:3900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-29T16:21:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.4329 en NL23.4330</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3900">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-29T16:21:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:3900 Rechtbank Den Haag , 23-03-2023 / NL23.4329 en NL23.4330</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3900:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-ontvankelijkverklaring</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3900:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL23.4329 (beroep) en NL23.4330 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer/ voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Radema).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 10 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.4330, op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1990. Hij heeft op 17 november 2022 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat hij internationale bescherming heeft gekregen in Duitsland. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat het enkele feit dat hij in Duitsland in 2019 een tijdelijk verblijfsdocument (een soort “Duldung”) heeft gekregen dat drie maanden geldig was, niet wil zeggen dat hij daar nu nog (subsidiaire) bescherming geniet. Hij heeft ook geen “zodanige band” met Duitsland dat het voor hem redelijk is om terug te keren. Hij komt daar niet aan fatsoenlijke huisvesting en werk en er kan geen gezinshereniging met zijn dochter plaatsvinden. Eiser wil verder dat zijn naam wordt gewijzigd en heeft daartoe een kopie van zijn doopakte en van de Nederlandse paspoorten van zijn broer en zijn zus overgelegd. Tenslotte had ambtshalve beoordeeld moeten worden of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_4b47e961-8fbb-47ed-b94b-a0f8cd2d512c" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Internationale bescherming</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)<footnote-ref linkend="_f7fbdc23-fce9-4c61-9d3c-398ce52dec1c" /> mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Uit het Eurodacsysteem volgt dat op 9 februari 2018 te Giessen (Duitsland) eisers vingerafdrukken zijn afgenomen. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten op 11 januari 2023 schriftelijk laten weten dat eiser op 22 september 2018 subsidiaire bescherming is verleend. Ook hebben de Duitse autoriteiten op 28 februari 2023 schriftelijk laten weten dat eiser bij terugkeer weer zal worden toegelaten. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er vanuit gaan dat de ontvangen informatie correct is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft gekregen.  Eiser heeft niet onderbouwd of nader geconcretiseerd dat zijn internationale beschermingsstatus zou zijn ingetrokken of beëindigd.</para>
    <para />
    <para>5. De omstandigheid dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft, betekent ook dat er sprake is van een zodanige band tussen eiser en Duitsland dat het voor hem redelijk is om daar naartoe terug te keren.<footnote-ref linkend="_74447b35-9484-491a-9353-b5813097390d" /> Verder volgt uit de verleende verblijfsstatus al dat de Duitse autoriteiten de intentie hebben om eiser te beschermen. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten of daartoe geëigende instanties. Niet is aannemelijk geworden dat zij hem niet zouden kunnen of willen helpen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Naam </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. In deze zaak is op grond van de vingerafdrukken van eiser vastgesteld dat aan hem in Duitsland een subsidiaire status is verleend. Dat zijn naam volgens hem verkeerd is weergegeven, maakt dit niet anders. Eiser kan desgewenst bij de Duitse autoriteiten een en ander, onder overlegging van de kopie van zijn geboorteakte en andere stukken, aankaarten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ambtshalve toetsing (artikel 3.6b, aanhef en onder c van het Vb 2000)/ Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft in het bestreden besluit meegewogen dat eisers broer en zus in Nederland wonen en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Een ambtshalve beoordeling van de vraag of eiser op grond van zijn familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanspraak maakt op verblijfsrecht in Nederland, vindt niet plaats bij een zaak als onderhavige, waar de asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat.<footnote-ref linkend="_bb3ddf55-2afc-4e9f-83ea-9fbc4eebbde5" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen</para>
    <para>aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.<?linebreak?></para>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af</para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
      <para>Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4b47e961-8fbb-47ed-b94b-a0f8cd2d512c" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7fbdc23-fce9-4c61-9d3c-398ce52dec1c" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74447b35-9484-491a-9353-b5813097390d" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795 en 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb3ddf55-2afc-4e9f-83ea-9fbc4eebbde5" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2421.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>