<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:3666</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-21T14:47:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/6973</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3666">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3666</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-21T14:43:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:3666 Rechtbank Den Haag , 21-03-2023 / AWB 22/6973</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3666:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Visum kort verblijf, procesbelang, verzoek om schadevergoeding. Schade voor zover gevorderd komt niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3666:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 22/6973 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen</title>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [eiser]
          </emphasis>, eiser,</para>
        <para>geboren op [geboortedatum] ,</para>
        <para>van Indonesische nationaliteit,</para>
        <para>V-nummer: [nummer]</para>
        <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Buitenlandse Zaken, de minister </title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding van eiser en gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft eisers visumaanvraag in het besluit van 5 juli 2022 afgewezen. Eiser en gemachtigde stellen daardoor schade te hebben geleden en hebben verzocht om schadevergoeding. In het bestreden besluit van 14 oktober 2022 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In het bestreden besluit van 20 oktober 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het afwijzen van de visumaanvraag niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het beroep en de verzoeken om schadevergoeding aan de hand van het beroepschrift van eiser. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit van 14 oktober 2022 niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het bestreden besluit van 20 oktober 2022 ongegrond. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf voor vakantie en familiebezoek in Nederland bij gemachtigde en zijn vriendin. De minister heeft de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en om schadevergoeding verzocht. De minister heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister ontbreekt het procesbelang, omdat eiser heeft aangegeven niet meer naar Nederland te kunnen komen. De minister ziet geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is eisers beroep tegen het bestreden besluit van 14 oktober 2022 ontvankelijk?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In het bestreden besluit van 14 oktober 2022 heeft de minister beslist op de verzoeken om schadevergoeding van eiser en gemachtigde. Tegen dit besluit kan op grond van de wet geen beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_9c69fec5-fea7-46a4-8ed3-257f73d62697" /> In plaats daarvan kunnen eiser en gemachtigde een verzoek om schadevergoeding indienen bij de bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_6c3aadec-9149-4a48-b776-d441cd9e912f" /> De rechtbank zal eisers beroepschrift als een verzoek om schadevergoeding beschouwen. Dat betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit van 14 oktober 2022 niet-ontvankelijk is en dat de rechtbank zal beslissen op de verzoeken om schadevergoeding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft eiser procesbelang bij zijn beroep tegen het bestreden besluit van 20 oktober 2022?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Omdat eiser geen gebruik meer wil en kan maken van een visum voor kort verblijf, moet de rechtbank eerst beoordelen of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Belang bij een beoordeling van een beroep bestaat alleen indien degene die beroep heeft ingesteld het doel wat hem voor ogen staat ook daadwerkelijk kan bereiken en feitelijk van betekenis is. Daarvan is in deze zaak geen sprake nu eiser geen gebruik meer kan en wil maken van zijn visum. Een procesbelang kan in zo’n geval toch nog bestaan als de proceskosten in bezwaar niet zijn vergoed, mits in bezwaar hierom is verzocht. Nu eiser in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten en die kosten niet zijn vergoed, heeft eiser procesbelang bij zijn beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Had de minister de proceskosten in bezwaar moeten vergoeden?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser stelt dat de minister zijn proceskosten in bezwaar moet vergoeden omdat het besluit van 5 juli 2022 onrechtmatig is. De rechtbank stelt voorop dat voor een proceskostenvergoeding in bezwaar alleen plaats is als het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.<footnote-ref linkend="_4a0c56b4-2fd8-4eb2-8a86-741b9cc7d15c" /> De rechtbank volgt de minister in zijn stelling dat het besluit van 5 juli 2022 niet is herroepen, omdat eiser in bezwaar heeft aangegeven geen belang meer te hebben bij het visum voor kort verblijf. De minister heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet, het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Moet aan eiser schadevergoeding worden toegekend?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden door het (onrechtmatige) besluit van </para>
    <para>5 juli 2022 en verzoekt om schadevergoeding. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit.<footnote-ref linkend="_e30d7b15-5f90-4dd2-8333-b7be5f283dad" /> De bestuursrechter zoekt bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht. De rechtbank zal in dit geval niet bespreken of sprake is van een onrechtmatig besluit omdat de schade voor zover die is gevorderd al niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal dit toelichten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Eiser heeft vergoeding gevraagd van kosten die samenhangen met de visumaanvraag. Het gaat om kosten voor internet en bellen, (reis)kosten voor het verkrijgen van een paspoort, (reis)kosten voor de legalisatie van de handtekening van gemachtigde, kosten voor de verplichte ziektekostenverzekering en (reis)kosten voor de aanvraag van het visum. Volgens het civiele schadevergoedingsrecht moet de gestelde schade causaal verband houden met het onrechtmatige besluit.<footnote-ref linkend="_d05d53eb-6880-40c5-acc1-e37464b275c3" /> Dit causale verband is er niet als de schade ook zou zijn geleden als de minister een rechtmatig besluit had genomen.<footnote-ref linkend="_3d118c7c-4374-443b-bad7-a9ef7fb19ed7" /> Dat betekent dat voornoemde kosten, die hoe dan ook gemaakt moesten worden voor de aanvraag van het visum, niet in aanmerking komen voor vergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Eiser heeft verder vergoeding gevraagd van de (reis)kosten die verband houden met de bezwaarprocedure, de procedure over het verzoek om een voorlopige voorziening en deze beroepsprocedure. Deze kosten vallen niet onder geleden schade omdat voor deze kosten een eigen regeling geldt.<footnote-ref linkend="_aadeb94c-d45d-4951-829c-006ab4a2735f" /> De rechtbank heeft in dit verband in rechtsoverweging 6 overwogen dat de minister de proceskosten in bezwaar terecht niet heeft vergoed. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 15 september 2022 geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. Over de kosten van deze beroepsprocedure zal de rechtbank in deze uitspraak een oordeel geven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Eiser heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens het niet doorgaan en het voor langere tijd moeten uitstellen van het familiebezoek en de vakantie in Nederland, en zijn inspanningen die tot niets hebben geleid. Voor zover van belang bestaat er recht op schadevergoeding als de belanghebbende in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. <footnote-ref linkend="_ed64684a-4043-4567-9ae9-6a94a636abb7" /> Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake als de belanghebbende geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de belanghebbende, meebrengen dat van een aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Degene die zich hierop beroept, zal de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.<footnote-ref linkend="_0996f1bc-5953-4adc-a62d-1cef962245c6" /> Eiser is hierin niet geslaagd. De gestelde immateriële schade is niet met concrete gegevens onderbouwd. De rechtbank wijst eisers verzoek om schadevergoeding af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>Voor zover de gemachtigde van eiser als garantsteller en (dus) belanghebbende immateriële schadevergoeding heeft gevorderd, geldt dat ook dit verzoek wordt afgewezen omdat de gestelde immateriële schade niet met concrete gegevens is onderbouwd. Van een (indirecte) beschuldiging van mensenhandel is de rechtbank uit het dossier niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit van 20 oktober 2022 in stand blijft. Aan eiser en gemachtigde wordt geen schadevergoeding toegekend. </para>
    <para />
    <para>9. Eiser krijgt geen vergoeding van het griffierecht en zijn proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 oktober 2022, niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 20 oktober 2022, ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de verzoeken om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Lok, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. </title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9c69fec5-fea7-46a4-8ed3-257f73d62697" label="1">
    <para> artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c3aadec-9149-4a48-b776-d441cd9e912f" label="2">
    <para> artikel 8:90, eerste lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a0c56b4-2fd8-4eb2-8a86-741b9cc7d15c" label="3">
    <para> artikel 7:15, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e30d7b15-5f90-4dd2-8333-b7be5f283dad" label="4">
    <para> artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d05d53eb-6880-40c5-acc1-e37464b275c3" label="5">
    <para> artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d118c7c-4374-443b-bad7-a9ef7fb19ed7" label="6">
    <para> uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van </para>
    <para>11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4163</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aadeb94c-d45d-4951-829c-006ab4a2735f" label="7">
    <para> artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed64684a-4043-4567-9ae9-6a94a636abb7" label="8">
    <para> artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0996f1bc-5953-4adc-a62d-1cef962245c6" label="9">
    <para> uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>