<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:365</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-19T14:43:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/9596</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:365">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:365</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-19T14:43:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:365 Rechtbank Den Haag , 06-01-2023 / AWB 19/9596</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:365:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek om proceskostenveroordeling - nieuw asielmotief - kennelijk ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:365:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/9596</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank behandeld onder het zaaknummer AWB 17/9494.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 24 oktober 2017 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 26 juli 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder het zaaknummer AWB 19/9596.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 30 oktober 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep op 28 september 2022 ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 16 november 2022 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.<footnote-ref linkend="_3ec36b8a-0a5c-4cc0-9af5-779cd7f2b584" /></para>
    <para />
    <para>2. In de Awb is neergelegd dat, als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener kan worden veroordeeld in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_72eaef1f-8fda-4dd9-972f-71d2209404ab" /></para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 16 november 2022 op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit waartegen beroep is ingesteld juist is en dat geen sprake is van een onrechtmatig genomen besluit. Pas tijdens de beroepsprocedure is een nieuw asielmotief ingebracht, welke aanleiding heeft gegeven voor het intrekken van het bestreden besluit en het alsnog inwilligen van de aanvraag van eiser. </para>
    <para />
    <para>4. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat van tegemoetkomen alleen sprake is als het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen is geen sprake als het bestuursorgaan het besluit intrekt vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.<footnote-ref linkend="_9b551b9e-8de6-4d44-bf33-ea0434639499" /></para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit is gewijzigd vanwege een in beroep ingebracht nieuw feit. In dit geval heeft verweerder naar aanleiding van de seksuele geaardheid van eiser alsnog aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. Van dit feit was verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte. Daarom is verweerder niet aan eiser tegemoetgekomen en bestaat er geen aanleiding om verweerder tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.</para>
  </section>
  <footnote id="_3ec36b8a-0a5c-4cc0-9af5-779cd7f2b584" label="1">
    <para>Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_72eaef1f-8fda-4dd9-972f-71d2209404ab" label="2">
    <para> Ingevolge de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b551b9e-8de6-4d44-bf33-ea0434639499" label="3">
    <para> Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084 en 3 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:658. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>