<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:3451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-17T09:37:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.864</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3451">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-17T09:37:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:3451 Rechtbank Den Haag , 22-02-2023 / NL23.864</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3451:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Slowakije, beroep ongegrond, verweerder mocht de uiterste overdrachtstermijn verlengen, uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:3451:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.864</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfi-Kovacs).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.865, op 7 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Slowakije een verzoek om terugname gedaan. Slowakije heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van een verlengde overdrachtstermijn van 18 maanden. Hij was een tijd niet op de opvang, maar op dat moment lag het bestreden besluit er nog niet. Overdracht was op dat moment niet aan de</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>orde, daarom kon hij niet zijn ondergedoken om zijn overdracht te frustreren en is van onderduiken als bedoeld in het arrest-Jawo1 geen sprake. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit niet onderbouwd dat sprake is van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en dat daarom de uiterste overdrachtstermijn is verlengd, alleen dat eiser MOB is gegaan. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. De uiterste overdrachtstermijn is daarom op 18 september 2022 al verstreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit informatie van het COA en de AVIM is gebleken dat betrokkene op of omstreeks 25 juli 2022 MOB is gegaan. Verweerder heeft op 1 augustus 2022 een brief gestuurd aan de Slowaakse autoriteiten waarin ze mededelen dat eiser is ondergedoken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft zich op 7 december 2022 weer gemeld bij de opvang. Dit is verder niet betwist.</para>
    <para />
    <para>4. Op het moment dat eiser de opvang heeft verlaten zonder het COA en/of de AVIM hiervan op de hoogte te brengen, mag verweerder aannemen dat hij de bedoeling had om zich te onttrekken aan de autoriteiten om de overdracht te voorkomen en dat hier dus sprake is van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.2 In dit geval heeft eiser op 25 juli 2022 zonder hiervan melding te maken de opvang verlaten, daarom mocht verweerder - zonder verdere motivering - aannemen dat hier sprake is van onderduiken op grond waarvan de overdrachtstermijn verlengd mocht worden. Dat verweerder op het moment van het onderduiken nog geen overdrachtsbesluit had genomen, maakt niet dat de overdrachtstermijn niet verlengd kon worden. Eiser zat in de Dublinprocedure waardoor eiser er vanuit moest gaan dat een overdracht aan de orde is. Doordat eiser zich pas na de oorspronkelijke uiterste overdrachtsdatum van 18 september 2022 weer heeft gemeld, was door de handelswijze van eiser een overdracht binnen die termijn niet meer mogelijk. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opschorting overdrachten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser voert aan dat Slowakije overdrachten had opgeschort. Dit is door verweerder ook niet weersproken. Het standpunt van verweerder dat de overdrachten inmiddels weer zijn hervat is niet onderbouwd. Het is eiser niet duidelijk op welk moment de Slowaakse autoriteiten in staat zullen zijn dit verzoek inhoudelijk in behandeling te nemen. Verweerder moet daarom nadere garanties vragen aan de Slowaakse autoriteiten.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat Slowakije zich houdt aan de afspraken tot het in behandeling van de asielaanvraag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Eiser heeft hierover geen stukken overgelegd. Ook zijn geen stukken overgelegd dat overdrachten nog steeds worden opgeschort. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="83f0947c-f8ca-4e26-bf15-64ff005b52cd" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (arrest Jawo).</para>
    <para>2 Arrest Jawo, overweging 62.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>22 februari 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="d7f18837-9542-4604-aa7f-439f8feb7e4e" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [Documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>