<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:2844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-08T14:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.25534</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2844">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-08T14:56:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:2844 Rechtbank Den Haag , 03-03-2023 / NL22.25534</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2844:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel, inwilliging, opvolgende aanvraag of verzoek om bestuurlijke heroverweging, artikel 44 Vw, ingangsdatum</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2844:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.25534</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 16 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (opvolgende) asielaanvraag van eiser ingewilligd. Daarbij is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser toegekend met ingang van 9 april 2021, geldig tot 9 april 2026. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Afghaanse nationaliteit.</para>
    <para />
    <para>2. Op 13 januari 2020 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 30 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat is gebleken dat de autoriteiten van Griekenland op 3 november 2017 al internationale bescherming aan eiser hebben verleend. Dat besluit staat in rechte vast.</para>
    <para />
    <para>3. Op 9 april 2021 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze is door verweerder in behandeling genomen als een opvolgende aanvraag. Bij deze aanvraag heeft eiser een ‘taskera’ en een verklaring van de Afghaanse ambassade in Nederland overgelegd, waarin is bevestigd dat eiser Afghaan is, welke verklaring gebaseerd is op de taskera. </para>
    <para>Bij het bestreden besluit is aan eiser op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_514a01f4-caf7-4374-8010-7d2e1ba36fb1" /> de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 9 april 2021. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat hij zijn aanvraag heeft bedoeld als verzoek om bestuurlijke heroverweging van het besluit van 30 januari 2020. Hij verwijst naar de begeleidende brief bij het aanvraagformulier, waarin hij heeft gemeld dat hij de taskera als novum inbrengt en dat daaruit blijkt dat hij ook tijdens zijn eerste aanvraag minderjarig was en dat de geboortedatum die door de Griekse autoriteiten is aangehouden en daarmee ook door verweerder, dus niet juist was. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_f65c55b4-2a2e-4536-86aa-eb607ea23191" /> dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging moet worden onderscheiden van een opvolgende asielaanvraag<footnote-ref linkend="_9fd1f54d-e571-4fe1-b927-13c6194271ef" />. Een verzoek om bestuurlijke heroverweging doet zich voor als een vreemdeling betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd. In een dergelijk geval staat artikel 44, tweede lid, van de Vw niet in de weg aan het verlenen van een asielvergunning met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van 9 april 2021 is ingediend middels een M35-O-formulier ‘Tweede of volgende aanvraag’. Op pagina 5 van het formulier is als reden voor het opnieuw indienen van een asielaanvraag gegeven: de taskera met vertaling en de verklaring van de Afghaanse ambassade in Nederland. Op pagina 10 van het formulier is als ‘nieuwe informatie’ vermeld: de situatie in Griekenland en leeftijd (minderjarigheid). Nergens op het formulier is verwezen naar het besluit van 30 januari 2020 of heeft eiser duidelijk gemaakt dat hij met de nieuwe bewijsstukken alsnog wil aantonen dat het besluit van 30 januari 2020 is genomen op basis van onjuiste informatie. </para>
    <para>Ook in de begeleidende brief bij het aanvraagformulier is niet vermeld dat eiser met zijn aanvraag beoogt dat de eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht wordt ingewilligd. De begeleidende brief bevat alleen de stelling dat uit de taskera blijkt dat hij tijdens zijn eerste aanvraag en thans nog steeds meerderjarig is, met een toelichting daarbij waarom hij destijds in Griekenland heeft gezegd dat hij meerderjarig was. Daarmee heeft hij echter niet duidelijk gemaakt dat hij verzoekt om bestuurlijke heroverweging van een onherroepelijk besluit. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat zijn aanvraag had moeten worden aangemerkt als een verzoek om bestuurlijke heroverweging van het besluit van 30 januari 2020. Verweerder heeft de aanvraag terecht als opvolgende aanvraag in behandeling genomen en heeft de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel terecht vastgesteld op 9 april 2021.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_514a01f4-caf7-4374-8010-7d2e1ba36fb1" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f65c55b4-2a2e-4536-86aa-eb607ea23191" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fd1f54d-e571-4fe1-b927-13c6194271ef" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1430. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>