<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:2313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-08T09:00:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-8321</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2313">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-07T14:25:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:2313 Rechtbank Den Haag , 21-02-2023 / 22-8321</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2313:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo afgewezen. Geen spoedeisend belang. Financieel belang en reputatie schade.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2313:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/8321 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Luna Events B.V., uit Honselersdijk, verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Westland, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.D. Lotte).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster een exploitatievergunning met daaraan gestelde voorschriften verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 mei 2022 heeft verweerder de exploitatievergunning op enkele punten aangepast.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen teneinde het bestreden besluit en het onderliggende primaire besluit te schorsen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege te gelaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.<footnote-ref linkend="_fe9ef25a-889a-4a2c-8f99-3805e261c5c6" /></para>
    <para />
    <para>3. Vooropgesteld constateert de voorzieningenrechter dat het voor verzoekster, ook met de verleende exploitatievergunning, nog steeds mogelijk is om haar bedrijf te exploiteren. </para>
    <para />
    <para>4. Verzoekster stelt dat zij door het bestreden besluit financiële en reputatie schade lijdt. Zij verklaart onder meer dat haar personeel dreigt met vertrek, klanten afzien van mogelijke huurcontracten dan wel de huur opzeggen en dat de onzekere situatie leidt tot een ongunstige onderhandelingspositie jegens nieuwe klanten en andere bedrijven. Verzoekster heeft een aantal screenshots van Whatsappberichten overgelegd waaruit dit zou blijken. </para>
    <para />
    <para>5. In de regel vormt een financieel belang onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Zoals verweerder terecht aangeeft, kan eventueel geleden schade bij vernietiging in de beroepszaak voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt ook voor bestuurlijke maatregelen in het kader van handhaving indien die zijn opgelegd. Dat in het geval van verzoekster sprake is van een acute financiële noodsituatie op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel zou moeten worden gemaakt, is uit de door verzoekster overgelegde stukken niet af te leiden. </para>
    <para />
    <para>6. Voor zover verzoekster stelt dat zij reputatieschade lijdt, ziet de voorzieningenrechter geen direct verband tussen deze veronderstelde schade en de door verweerder verleende exploitatievergunning.  </para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. </para>
    <para />
    <para>8. De door verzoekster gevraagde voorziening kan voorts worden getroffen als het evident is dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Met evident wordt bedoeld dat dit zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat hiervan sprake is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk ongegrond. </para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. </para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fe9ef25a-889a-4a2c-8f99-3805e261c5c6" label="1">
    <para> Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>