<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:2312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-05T12:30:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/631815 / HA ZA 22-552</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2312">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:2312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-05T12:29:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:2312 Rechtbank Den Haag , 08-02-2023 / C/09/631815 / HA ZA 22-552</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2312:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevoegdheindsincident (interregionaal).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:2312:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<para>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="50fd75f3-efdd-49bd-95ac-19cf1653b26f" format="image/png" scale="100" width="13" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="f7b44131-204d-443f-a236-5e2441ff8ebf" format="image/png" scale="100" width="523" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
vonnis
</para>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK DEN HAAG
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
Team handel
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer / rolnummer: C/09/631815 / HA ZA 22-552
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis in incident van 8 februari 2023
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
ANNEXIS INTERNATIONAL B.V.
</emphasis>
, te Sittard,
</para>
<para>
eiseres in de hoofdzaak,
</para>
<para>
verweerster in het incident,
</para>
<para>
advocaat mr. B.H.A. Augustin, te Maastricht,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
[gedaagde01] , wonende te [woonplaats01] , Curaçao,
</title>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
eiser in het incident,
</para>
<para>
advocaat mr. J.A.J. Hendriks, te Maasdijk,
</para>
</parablock>
<para>
2.
<emphasis role="bold">
[gedaagde02]
</emphasis>
, te [woonplaats01] , Curaçao,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
eiser in het incident,
</para>
<para>
advocaat mr. J.A.J. Hendriks, te Maasdijk,
</para>
</parablock>
<para>
3.
<emphasis role="bold">
CARRIBEAN ONLINE HOLDING B.V.
</emphasis>
, te [woonplaats01] , Curaçao,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
eiseres in het incident,
</para>
<para>
advocaat mr. J.A.J. Hendriks, te Maasdijk,
</para>
</parablock>
<para>
4.
<emphasis role="bold">
E-MARKETING B.V.
</emphasis>
, te [woonplaats01] , Curaçao,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
eiseres in het incident,
</para>
<para>
advocaat mr. J.A.J. Hendriks, te Maasdijk,
</para>
</parablock>
<para>
5.
<emphasis role="bold">
DREAMS IN ACTION B.V.
</emphasis>
, te Den Haag,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
niet verschenen,
</para>
</parablock>
<para>
6.
<emphasis role="bold">
MARKETING MAVEN B.V.
</emphasis>
, te Den Haag,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
niet verschenen,
</para>
</parablock>
<para>
7.
<emphasis role="bold">
THE FRANCHISE MARKETING GROUP B.V.
</emphasis>
, te Den Haag,
</para>
<parablock>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
niet verschenen.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
Partijen zullen hierna Annexis, [gedaagden 1 t/m 4] (gedaagden 1 tot en met 4) en Dreams in Action c.s. (gedaagden 5 tot en met 7) worden genoemd.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<paragroup>
<nr>
1.1.
</nr>
<para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
het exploot van 4 april 2022, waarbij [gedaagden 1 t/m 4] zijn gedagvaard, met producties;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het exploot van 7 april 2022, waarbij Dreams in Action c.s. zijn gedagvaard, met producties;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de rolbeslissing van 20 juli 2022, waarin is bepaald dat Dreams in Action c.s. opnieuw moeten worden opgeroepen;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het herstelexploot van 27 juli 2022;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de incidentele conclusie van [gedaagden 1 t/m 4] ter zake het ontbreken van rechtsmacht, met producties;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de incidentele antwoordconclusie van Annexis, met producties.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
1.2.
</nr>
<para>
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
</para>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling in het incident
</title>
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<para>
In de hoofdzaak vordert Annexis, samengevat, hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 100.000 met rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Hieraan legt Annexis ten grondslag dat zij met gedaagden een geldleningsovereenkomst is aangegaan en dat gedaagden in gebreke zijn gebleven met terugbetaling van het geleende bedrag.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
[gedaagden 1 t/m 4] vorderen in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen jegens hen.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.3.
</nr>
<para>
Annexis concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.4.
</nr>
<para>
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang ingegaan.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.5.
</nr>
<para>
Omdat [gedaagden 1 t/m 4] woonplaats hebben op Curaçao, is er sprake van een zaak met een interregionaal karakter. Op grond van artikel 38 lid 3 Statuut Koninkrijk kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent interregionaal privaatrechtelijke onderwerpen, waaronder de interregionale bevoegdheid, maar dat is tot op heden niet gebeurd. Daarom moet de interregionale bevoegdheid worden vastgesteld door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. Daarbij komt voorrang toe aan verdragen en Europese verordeningen boven nationaal recht. Alleen indien een verdrags- of verordeningsregel ontbreekt, althans in een internationale situatie niet van toepassing zou zijn, of zich anderszins niet voor overeenkomstige toepassing leent, dient de rechter zijn bevoegdheid te bepalen aan de hand van artikelen 1‑14 Rv
<footnote-ref linkend="_99ff1f29-68e4-4662-a3b5-0ca6c3f835a3" />
.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.6.
</nr>
<para>
Er is sprake van een handelszaak, wat meebrengt dat de interregionale bevoegdheid dient te worden getoetst aan de hand van de Brussel I bis-Vo.
<footnote-ref linkend="_4e6cb4e9-2a8c-42f6-bf04-abaf03f84b1b" />
</para>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.7.
</nr>
<para>
Artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo bepaalt dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, in het geval er meerdere verweerders zijn, ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van de verweerders (in een andere lidstaat) op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Deze bepaling leidt in deze zaak niet tot rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank Den Haag, reeds omdat Curaçao geen lidstaat is en [gedaagden 1 t/m 4] dus zelf geen woonplaats hebben in een lidstaat. De rechtbank gaat daarom niet in op de stelling van [gedaagden 1 t/m 4] in dat verband dat Actions c.s. ten tijde van het uitbrengen van het herstelexploot waren opgehouden te bestaan en daarom niet in rechte konden worden betrokken.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.8.
</nr>
<para>
De Nederlandse rechter kan wel interregionale bevoegdheid ontlenen aan artikel 7 Brussel I bis-Vo, gelet op het volgende.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.9.
</nr>
<para>
Artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Vo bepaalt dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, zoals in dit geval de rekening courant kredietovereenkomst, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.10.
</nr>
<para>
Een geldleningsovereenkomst, zoals deze rekening courant kredietovereenkomst, is een overeenkomst voor de verstrekking van diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Brussel I bis-Vo.
<footnote-ref linkend="_f7d31cca-bf1d-41a8-9d9d-e49595fed13a" />
. In dit geval is de dienst - de kredietverlening - volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt, nu blijkens artikel 1.2 van de overeenkomst (productie 1 van Annexis) de geldbedragen werden verstrekt door Annexis vanaf haar Nederlandse bankrekening op de Nederlandse bankrekening [rekeningnummer] ten name van [gedaagde02] . Van deze wijze van verstrekking is in de 1e Annex bij de overeenkomst, waarbij het krediet is verhoogd (productie 2 van Annexis) niet afgeweken. Uit dit een en ander volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van Annexis jegens [gedaagden 1 t/m 4] kennis te nemen. De incidentele vordering zal dus worden afgewezen.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.11.
</nr>
<para>
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
</para>
<para />
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para>
De rechtbank
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
in het incident
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
wijst het gevorderde af;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
in de hoofdzaak
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.3.
</nr>
<para>
verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 maart 2023 voor conclusie van antwoord.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.
<footnote-ref linkend="_419795f5-7acb-4a1b-828d-b1d5194ad35a" />
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
</section>
<footnote id="_99ff1f29-68e4-4662-a3b5-0ca6c3f835a3" label="1">
<para>
vgl. HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063
</para>
</footnote>
<footnote id="_4e6cb4e9-2a8c-42f6-bf04-abaf03f84b1b" label="2">
<para>
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1).
</para>
</footnote>
<footnote id="_f7d31cca-bf1d-41a8-9d9d-e49595fed13a" label="3">
<para>
vgl. HvJ EU 15 juni 2017, C-249/16, ECLI:EU:C:2017:472.
</para>
</footnote>
<footnote id="_419795f5-7acb-4a1b-828d-b1d5194ad35a" label="4">
<para />
<para>
type: 1554
</para>
</footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>