<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:12713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-25T10:09:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-08-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.22912</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:12713">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:12713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-25T10:08:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:12713 Rechtbank Den Haag , 24-08-2023 / NL23.22912</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:12713:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vervolgberoep ongegrond. Er is zicht op uitzetting. De staatssecretaris werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting. De belangenafweging is voldoende.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:12713:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.22912</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Fonville),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de op 22 maart 2023 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.<footnote-ref linkend="_4c27db5a-f2f9-48ce-a108-d39979550411" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 6 april 2023.<footnote-ref linkend="_9cb5394a-0be6-4a37-b02e-13580c77c5ed" /> Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 29 juni 2023.<footnote-ref linkend="_444d5d59-818e-44ae-9e55-cd61a468a0c2" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<footnote-ref linkend="_f1c75757-8335-4a1e-ba75-33254ce2cba3" /></para>
    <para />
    <para>5. Uit de uitspraak van 29 juni 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 22 juni 2023) rechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontbreekt het zicht op uitzetting?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser betoogt dat nog steeds geen laissez-passer is afgegeven. Ook na zeven schriftelijke rappels reageren de Marokkaanse autoriteiten niet. Kennelijk zijn de Marokkaanse autoriteiten niet van zins een laissez-passer aan hem af te geven.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser aanvoert is ook nu geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. In het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko niet.<footnote-ref linkend="_3c4b90b9-8f9b-4c70-aa3b-144c207a57e9" /> Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het individuele geval van eiser ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>7.	Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. De Marokkaanse autoriteiten reageren niet op de schriftelijke rappels. De staatssecretaris had daarom op een andere wijze contact kunnen zoeken met de Marokkaanse autoriteiten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage van 10 augustus 2023 blijkt dat er op 6 juli en 3 augustus 2023 vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser. Uit deze gesprekken zijn geen omstandigheden gebleken waardoor de maatregel van bewaring niet langer zou kunnen voortduren. Sinds de laatste uitspraak is door de staatssecretaris op 29 juni, 21 juli en 8 augustus 2023 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Alleen al omdat eiser in de hiervoor genoemde vertrekgesprekken heeft gezegd dat hij niet wil meewerken aan een uitzetting en de bewaring wel afwacht, was er geen aanleiding om op een andere manier contact te leggen met de Marokkaanse autoriteiten. Daar komt bij dat eiser eerder heeft verklaard dat hij in het bezit is van een Marokkaans paspoort en tevens de Algerijnse nationaliteit bezit. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de belangenafweging door de staatssecretaris voldoende?</emphasis>
        </para>
        <para>8.	Eiser betoogt dat de staatssecretaris een belangenafweging achterwege heeft gelaten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van 6 april 2022 op het eerste bewaringsberoep van eiser blijkt dat de staatssecretaris in het kader van de vraag of met een lichter middel kon worden volstaan een belangenafweging heeft gemaakt en dat de rechtbank deze voldoende heeft geacht. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat de staatssecretaris na elk vertrekgesprek heeft geconcludeerd dat eiser geen belangen heeft aangedragen waarom de maatregel van bewaring niet langer voort zou kunnen duren. Eiser heeft dit niet bestreden en heeft ook in dit beroep geen belangen naar voren gebracht. Het enkele feit dat eiser inmiddels bijna vijf maanden in bewaring zit en nog steeds niet is uitgezet, is daartoe onvoldoende. Daarbij is van belang dat eiser niet voldoet aan zijn meewerkplicht. Voor zover eiser met zijn betoog een beroep doet op de verzwaarde belangenafweging wijst de rechtbank er op dat de staatssecretaris deze pas na zes maanden hoeft te verrichten.<footnote-ref linkend="_799f07b6-fb9b-4700-a4b0-47ac41590632" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.<footnote-ref linkend="_25e6b7bf-c142-4909-ad72-e927167214fe" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie en gevolgen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid </para>
      <para>van mr. M.H. Dijkman, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4c27db5a-f2f9-48ce-a108-d39979550411" label="1">
    <para> De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cb5394a-0be6-4a37-b02e-13580c77c5ed" label="2">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 6 april 2023, NL23.8850 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_444d5d59-818e-44ae-9e55-cd61a468a0c2" label="3">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 29 juni 2023, NL23.17450, ECLI:NL:RBDHA:2023:9444.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1c75757-8335-4a1e-ba75-33254ce2cba3" label="4">
    <para> Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c4b90b9-8f9b-4c70-aa3b-144c207a57e9" label="5">
    <para> Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_799f07b6-fb9b-4700-a4b0-47ac41590632" label="6">
    <para> Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zie ook de uitspraak van de ABRvS van 31 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:292).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25e6b7bf-c142-4909-ad72-e927167214fe" label="7">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>