<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:11419</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-01T15:11:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/389</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:11419">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:11419</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-01T15:10:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:11419 Rechtbank Den Haag , 10-07-2023 / 23/389</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:11419:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingangsdatum verblijfsvergunning; procesbelang; artikel 26 Vw aantoonbaar voldoen aan de voorwaarden; geen pkv in bezwaar</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:11419:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 23/389 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], wettelijke vertegenwoordigers: [wettelijke vertegenwoordiger 1] en [wettelijke vertegenwoordiger 2], eiser</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. Karkache),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder  </title>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Sweerts).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inwilligende beschikking verblijf als familie- of gezinslid bij [wettelijke vertegenwoordiger 1] - referent en vader van eiser - per 24 oktober 2022 tot 24 oktober 2027.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het primaire besluit van 9 juli 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser van  </para>
      <para>5 juni 2018 voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij referent afgewezen, omdat referent geen rechtmatig verblijf had in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit op bezwaar van 3 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Dit besluit is later door verweerder ingetrokken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit op bezwaar van 6 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem per 24 oktober 2022 een verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid bij [wettelijke vertegenwoordiger 1] toegekend. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [wettelijke vertegenwoordiger 1] (vader en een van de wettelijk vertegenwoordigers van eiser), R. Najjar als tolk en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser is zonder daartoe strekkend bericht niet aanwezig. De heer [wettelijke vertegenwoordiger 1] heeft desgevraagd medegedeeld met gemachtigde afgesproken te hebben dat de inhoudelijke behandeling van het beroep op zitting kan doorgaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting na afloop van de inhoudelijke behandeling geschorst om eiser de gelegenheid te bieden zijn beroep op betalingsonmacht nader te onderbouwen met stukken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 27 juni 2023 heeft eiser nadere stukken overgelegd om zijn beroep op betalingsonmacht te onderbouwen. De rechtbank heeft heden het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft gesteld dat hij niet genoeg geld heeft om het griffierecht te betalen en daarom heeft hij gevraagd om vrijstelling daarvan. De rechtbank beslist dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet voldoende inkomen of vermogen heeft om het griffierecht te betalen. Daarom hoeft eiser geen griffierecht te betalen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten en omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Op 5 juni 2018 heeft eiser een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij referent aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat referent op dat moment niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. De verblijfsvergunning van referent was namelijk door verweerder ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>3. Op 24 oktober 2022 heeft verweerder referent een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met ingang van 30 januari 2020 en een verlenging van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 24 september 2019 tot 24 september 2024 verleend op basis van ‘recent bekend geworden informatie’.<footnote-ref linkend="_67d90c2a-e5e1-41d0-be8a-60eaea0c0c57" /></para>
    <para />
    <para>4. Naar aanleiding van het besluit van 24 oktober 2022 inzake referent heeft verweerder het besluit op bezwaar van 3 mei 2019 inzake eiser ingetrokken. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem een vergunning als familie- of gezinslid bij referent verstrekt met ingangsdatum 24 oktober 2022. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesbelang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat in deze zaak eerst aanleiding bestaat te beoordelen of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Een belanghebbende kan slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel belang heeft in de zin dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen raken.</para>
    <para />
    <para>6. Indien het beroep gegrond wordt verklaard, dan zal de asielvergunning van eiser een eerdere ingangsdatum krijgen en gelet op die eerdere ingangsdatum zal hij ook eerder een sterker verblijfsrecht kunnen verkrijgen. Zo kan eiser door het instellen van beroep dus in een gunstiger positie komen. De rechtbank is van oordeel dat eiser om die reden procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt eiser</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Eerst ter zitting is gebleken dat eiser als beoogde ingangsdatum van de verblijfsvergunning zijn geboortedatum 4 januari 2018 hanteert. Verder voert eiser aan dat ten onrechte geen proceskosten in bezwaar is toegekend, aangezien verweerder het bezwaar gegrond heeft verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ingangsdatum van de verblijfsvergunning</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. In artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) staat dat voor de ingangsdatum van de gevraagde verblijfsvergunning bepalend is het moment waarop wordt aangetoond dat aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht wordt voldaan. </para>
    <para />
    <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser pas op 24 oktober 2022 aantoonbaar voldeed aan de voorwaarden van de door hem verzochte verblijfsvergunning. Per die datum is referent namelijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Eiser kwam niet eerder dan 24 oktober 2022 in aanmerking voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij referent. De rechtbank ziet geen grond om eisers geboortedatum als ingangsdatum te hanteren, niet in de minste plaats omdat eiser dit niet juridisch heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten in bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoedt verweerder de proceskosten in bezwaar als het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. </para>
    <para />
    <para>11. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het besluit van 6 januari 2023 gegrond is verklaard wegens veranderde omstandigheden inzake de procedure van referent, welke vervolgens een effect heeft gehad op de procedure van eiser. Het bezwaar van eiser is niet gegrond verklaard wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten komt eiser niet in aanmerking. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd deze uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">						te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_67d90c2a-e5e1-41d0-be8a-60eaea0c0c57" label="1">
    <para> Dit betreft het kort thematisch ambtsbericht van 24 augustus 2022. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>