<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:11248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-08T20:15:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3939</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:11248">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:11248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-07T14:56:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:11248 Rechtbank Den Haag , 19-07-2023 / 22/3939</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:11248:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zvw. Buitenlandbijdrage. Beroep kennelijk ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:11248:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/3939 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het Centraal Administratie Kantoor, het CAK </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 4 februari 2022 (primair besluit 1) heeft het CAK de definitieve jaarafrekening 2018 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) vastgesteld en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 1.529,89.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 4 april 2022 (primair besluit 2) heeft het CAK de definitieve jaarafrekening 2018 op grond van de Zvw herzien en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 3.862,79.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 23 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Eiser is geboren op [geboortedag] 1934 en woonde ten tijde van belang in België. Sinds juli 2020 woont hij in [woonplaats] . Hij ontvangt sinds 1999 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen uit de mr. [bedrijfsnaam] B.V. Niet in geschil is dat eiser geen betaalde werkzaamheden in België heeft verricht en uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet.<?linebreak?>1.2	Eiser is door het CAK ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft daarom met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in zijn (toenmalige) woonland België, ten laste van pensioenland Nederland.<?linebreak?>Voor dit recht op zorg stelt het CAK dat eiser op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage is verschuldigd (buitenlandbijdrage) die wordt ingehouden op zijn pensioen.<?linebreak?>1.3	In het primair besluit 2 heeft het CAK de definitieve jaarafrekening 2018 op grond van de Zvw na herziening vastgesteld en de buitenlandbijdrage over dat jaar bepaald op € 3.862,79.<?linebreak?>2.	Het bestreden besluit berust op het standpunt van het CAK dat eiser als verdragsgerechtigde ingevolge artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage is verschuldigd. <?linebreak?>3.	In dit beroep heeft eiser de standpunten die hij ook al in eerdere procedures<footnote-ref linkend="_d3ee29a5-70a8-4a59-b4ca-ca97a298990a" /> heeft ingenomen, herhaald. Hij blijft van mening dat hij ten onrechte als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat het CAK daarom geen buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op zijn pensioen. Zijn betoog komt er in het kort gezegd op neer dat de onder 1.2 genoemde verordeningen niet op zijn situatie van toepassing zijn, hij door de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage is belemmerd in de uitoefening van zijn vrije verkeer als Unieburger en dat zijn situatie vergelijkbaar is met die in het Hoogstad-arrest (C-2016/802).<footnote-ref linkend="_cd8872cc-f442-461b-b37b-d348a0612169" /> Volgens eiser heeft het CAK dat, onder verwijzing naar in zijn situatie onjuiste en op het Unierecht inbreuk makende uitspraken van Nederlandse bestuursrechters, miskend. <?linebreak?>4.	De rechtbank beoordeelt eisers beroep als volgt.<?linebreak?>4.1	Het betoog van eiser komt in essentie op hetzelfde neer als hij in eerdere procedures bij de rechtbank en de CRvB naar voren heeft gebracht. Zowel de rechtbank als de CRvB is in eerdere uitspraken uitvoerig op eisers betoog ingegaan. Er is geen aanleiding om hierover nu tot een ander oordeel te komen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de hieronder in voetnoot 3 genoemde uitspraken van de CRvB.<footnote-ref linkend="_2965c4ad-5ee3-4117-b30d-06e540e3b29b" /> Aan eiser is ook nu terecht een buitenlandbijdrage opgelegd, en voor restitutie van de betaalde bijdragen in het verleden is geen aanleiding.<?linebreak?>5.	Het beroep is ongegrond.<?linebreak?>6.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_d3ee29a5-70a8-4a59-b4ca-ca97a298990a" label="1">
    <para> onder meer in het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 13 augustus 2021 (reg. nr. 20/7655 en 20/5293). De CRvB heeft in zijn uitspraak van 2 juni 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1259) die uitspraak bevestigd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd8872cc-f442-461b-b37b-d348a0612169" label="2">
    <para> zie ECLI:EU:C:2016:802</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2965c4ad-5ee3-4117-b30d-06e540e3b29b" label="3">
    <para> zie de uitspraken van de CRvB van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137, van 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1858, van 6 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:67, van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:584, van 12 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2447, van 2 juni 2022; ECLI:NL:CRVB:1259 en van 22 december 2022; ECLI:NL:CRVB:2022:2825</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>