<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:1112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-06T09:30:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.21044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:1112">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:1112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-06T09:29:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:1112 Rechtbank Den Haag , 31-01-2023 / NL22.21044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:1112:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>terugkeerbesluit, inreisverbod, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:1112:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.21044</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M. Lorier).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_25dbf30f-21be-46db-a88d-099bef936b6b" /> uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1978 en burger van Bosnië en Herzegovina te zijn.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van 28 dagen. Verweerder heeft daartoe vastgesteld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser heeft namelijk de vrije termijn voor verblijf in Nederland overschreden. Daarnaast heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser heeft een partner in Duitsland met wie hij samen vier kinderen heeft. Eiser is bezig met het legaliseren van zijn verblijf aldaar. Het inreisverbod doorkruist dit en is dan ook in strijd met artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_dc1df5da-0529-4278-a438-f84d69586b0c" />  Eiser had van verweerder de gelegenheid moeten krijgen om hiervan bewijsstukken in te dienen. Verweerder kan niet volstaan met de enkele constatering in het bestreden besluit dat eiser zijn vrije termijn met drie maanden heeft overschreden en dat hij geen verblijfsrecht in Duitsland heeft, maar had nader moeten motiveren waarom het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en inreisverbod noodzakelijk is. Ook bestrijdt eiser het in het bestreden besluit genoemde risico op onttrekking aan het toezicht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Op de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft rust van rechtswege de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten.<footnote-ref linkend="_ba18c144-24db-478d-8b39-e855e035fe5e" /> Deze termijn bedraagt in beginsel vier weken en kan worden verkort.<footnote-ref linkend="_3f90d5b7-63d4-48c5-8a2e-7a8b1babbdcd" /> De vertrekplicht en de termijn waarbinnen daaraan gevolg moet worden gegeven worden aan de vreemdeling meegedeeld in een terugkeerbesluit.<footnote-ref linkend="_f861ff5e-cc79-4d16-99d5-11e5a29d3666" /></para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft in beroep niet bestreden dat hij ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Evenmin is gebleken van een bestaand verblijfsrecht in een andere lidstaat. Dat eiser stelt dat hij doende is om in Duitsland een verblijfsrecht te verkrijgen, betekent niet dat nu geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd. Het is aan de Duitse autoriteiten om te beoordelen of eiser daar aanspraak maakt op verblijf. Ook van andere wettelijke redenen om een terugkeerbesluit achterwege te laten<footnote-ref linkend="_37d79ab6-b302-4a53-bbb2-f84472d8d254" /> is geen sprake. Verweerder is dus niet gehouden tot een nadere motivering van het terugkeerbesluit. </para>
    <para />
    <para>6. Aan vreemdelingen van wie een risico op onttrekking aan het toezicht wordt aangenomen kan een kortere termijn voor vertrek worden gegund of kan een vertrektermijn worden onthouden.<footnote-ref linkend="_9014e503-99ee-4c47-8e70-cdd8efd91036" /> Uit het bestreden besluit volgt dat van deze mogelijkheid in eisers geval geen gebruik is gemaakt, nu aan eiser een vertrektermijn van 28 dagen wordt geboden. Voor zover het bestreden besluit overwegingen bevat over een aan te nemen risico op onttrekking komt hieraan geen zelfstandige betekenis toe. De hiertegen geformuleerde gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking. </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder kan een inreisverbod uitvaardigen tegen een vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk dient te verlaten.<footnote-ref linkend="_3f5dc4f5-f8d0-429e-b2c1-787edf555b58" /></para>
    <para>Verweerder voert hierbij het beleid dat is vastgelegd in de Vc.<footnote-ref linkend="_0a5710a3-70f5-48a0-a75c-a4279823e069" /> De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op de vreemdelingen vaardigt op grond hiervan onder meer een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in artikel 3.3 van het Vb<footnote-ref linkend="_d8d685c4-b0ab-49d0-92e5-f41d7341562e" /> met meer dan drie dagen heeft overschreden.<footnote-ref linkend="_7e2f2a68-510f-4cdd-970a-03593870f963" /> Geen inreisverbod wordt uitgevaardigd, indien het inreisverbod een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.<footnote-ref linkend="_4b17593a-10c2-45f5-a9f3-edc43b7f02e3" /> Daarnaast kan om humanitaire of andere redenen kan worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod.<footnote-ref linkend="_867e6ff4-870f-4740-8970-acaaaa30dadc" /></para>
    <para />
    <para>8. In het bestreden besluit is overwogen dat eiser, die op 29 maart 2022 is ingereisd, zijn vrije termijn ruim heeft overschreden. Dit is niet door eiser betwist. Eiser heeft tot op heden niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij een Roemeense echtgenote/partner en kinderen heeft en dat zij in Duitsland verblijven. Eiser heeft de reden hiervoor ook niet toegelicht. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat het uitvaardigen van een inreisverbod tegen eiser een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.</para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft daarom, gelet op het door hem gevoerde beleid, aanleiding kunnen zien om aan eiser een inreisverbod op te leggen. Eiser heeft overigens geen redenen aangevoerd op grond waarvan verweerder hiervan af had moeten zien.</para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_25dbf30f-21be-46db-a88d-099bef936b6b" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc1df5da-0529-4278-a438-f84d69586b0c" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba18c144-24db-478d-8b39-e855e035fe5e" label="3">
    <para> Artikel 61, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f90d5b7-63d4-48c5-8a2e-7a8b1babbdcd" label="4">
    <para> Artikel 62, eerste lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f861ff5e-cc79-4d16-99d5-11e5a29d3666" label="5">
    <para> Artikel 62a, tweede lid, van de Vw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37d79ab6-b302-4a53-bbb2-f84472d8d254" label="6">
    <para> Artikel 62a, eerste lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9014e503-99ee-4c47-8e70-cdd8efd91036" label="7">
    <para> Artikel 62, tweede lid, van de Vw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f5dc4f5-f8d0-429e-b2c1-787edf555b58" label="8">
    <para> Artikel 66a, tweede lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a5710a3-70f5-48a0-a75c-a4279823e069" label="9">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8d685c4-b0ab-49d0-92e5-f41d7341562e" label="10">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e2f2a68-510f-4cdd-970a-03593870f963" label="11">
    <para> Paragraaf A4/2.1 van de Vc.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b17593a-10c2-45f5-a9f3-edc43b7f02e3" label="12">
    <para> Paragraf A4/2/2, van de Vc.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_867e6ff4-870f-4740-8970-acaaaa30dadc" label="13">
    <para> Artikel 66a, achtste lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>