<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:10992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-25T18:12:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.19529</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10992">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-25T18:11:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:10992 Rechtbank Den Haag , 19-07-2023 / NL23.19529</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:10992:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>: Vervolgberoep. Afghaanse. Asielaanvraag. Dublin. Lichter middel. Speciale inrichting voor bewaring. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:10992:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.19529</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. Matadien),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: S. Sewmar).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 2 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op 12 juli 2023 het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was.<footnote-ref linkend="_531dbe47-8ecf-46d3-b156-b2a05f43d97e" /> Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 10 mei 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig voortduurt, omdat hij op 28 juni 2023 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser stelt dat hij hierdoor rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder had volgens eiser de grondslag van de maatregel van bewaring moeten wijzigen dan wel de huidige maatregel van bewaring moeten opheffen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser op 28 juni 2023 een asielaanvraag heeft ingediend. Hoewel hij een asielaanvraag heeft ingediend, volgt uit de stukken in het dossier dat op eiser de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_1f6e42c3-30fd-44e9-9937-e45b4aff632d" /> van toepassing is. Uit het voortgangsrapport volgt overigens ook dat sprake is van een fictief claimakkoord van 25 mei 2023 met Kroatië. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw de maatregel van bewaring te laten voortduren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast, omdat zijn medische en psychische klachten door de wijze van de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring erger zijn geworden. Ook stelt eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat in het eerste beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring is overwogen dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Ook is toen overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Eiser heeft zijn gestelde (gewijzigde) medische omstandigheden in het onderhavige beroep niet onderbouwd. Alleen al omdat deze (gewijzigde) medische omstandigheden niet zijn onderbouwd, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake meer is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank is verder van oordeel dat het enkel indienen van een asielaanvraag niet kan leiden tot het opleggen van een lichter middel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Speciale inrichting voor bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Tot slot voert eiser aan dat het detentiecentrum in Rotterdam geen speciale inrichting voor bewaring is. Subsidiair heeft eiser gevraagd de maatregel op een andere plaats – zoals in een AZC – of op een andere wijze ten uitvoer te leggen.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank heeft reeds in het eerste beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring overwogen dat het detentiecentrum Rotterdam als een speciale inrichting voor bewaring kan worden aangemerkt. Er is geen reden om daarover nu anders te oordelen. Evenmin is er aanleiding om de plaats of wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel te veranderen. Eiser heeft daarvoor geen steekhoudende argumenten aangevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_dddddb32-572d-4121-9b64-3d9b4a4722af" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_531dbe47-8ecf-46d3-b156-b2a05f43d97e" label="1">
    <para> Rb Den Haag, zp. Middelburg, 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7364.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f6e42c3-30fd-44e9-9937-e45b4aff632d" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dddddb32-572d-4121-9b64-3d9b4a4722af" label="3">
    <para> HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>