<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:10882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-03T10:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.14376 en NL23.14377</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10882">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-03T10:52:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:10882 Rechtbank Den Haag , 18-07-2023 / NL23.14376 en NL23.14377</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:10882:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>MOB - geen procesbelang - beroep niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:10882:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL23.14376 en NL23.14377</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer / de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser/verzoeker], eiser / verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.A. Koning),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 11 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde waren hierbij, met voorafgaande mededeling, niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank/voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Op 15 januari 2023 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in België asiel heeft aangevraagd. Volgens verweerder is België daarom verantwoordelijk voor eisers asielaanvraag. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom niet in behandeling genomen.<footnote-ref linkend="_84f22b1d-08b8-4846-aa29-3e61d7f64592" /></para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de rechtbank/voorzieningenrechter bij brief van 31 mei 2023 bericht dat eiser/verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Verweerder verwijst naar de bij die brief gevoegde printscreen, waaruit blijkt dat eiser/verzoeker op 12 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Het is verweerder niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld. De rechtbank/voorzieningenrechter ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of eiser/verzoeker nog procesbelang heeft.</para>
    <para />
    <para>3. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_51d413ad-7f5d-49dd-9476-e590001867ca" /> dient er in het geval dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken in beginsel vanuit te worden gegaan dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank/voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van eiser/verzoeker gevraagd om voor de zitting te reageren op de MOB-melding van verweerder. De gemachtigde heeft laten weten dat, hoewel hij eerder telefonisch contact had met eiser, dit contact er vanaf 30 mei 2023 niet meer is. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank/voorzieningenrechter is, gelet op de MOB-melding en de reactie hierop van de gemachtigde van eiser/verzoeker, van oordeel dat eiser/verzoeker kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Deze wordt afgewezen. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank/voorzieningenrechter:</para>
      <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2023 door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.</para>
      <para />
      <para>Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_84f22b1d-08b8-4846-aa29-3e61d7f64592" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51d413ad-7f5d-49dd-9476-e590001867ca" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>