<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:9614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-29T12:40:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-09-634203-KG RK 22-1070</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9614">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-27T12:54:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:9614 Rechtbank Den Haag , 01-09-2022 / C-09-634203-KG RK 22-1070</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9614:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Samenvatting:</para>
        <para>Partijen zijn voor gelijke delen in eigenaar van de woning. Zij hebben de woning met een relatief grote overwaarde verkocht. De man meent een vordering op de vrouw te hebben omdat de hoge overwaarde het gevolg is van de alleen door hem in zijn vrije tijd uitgevoerde verbouwing. Door de vele met de verbouwing gemoeide uren is sprake van onttrekkingen aan zijn vermogen die mede ten bate komen van het vermogen van de vrouw in de vorm van haar aandeel in de overwaarde van de woning. De vrouw is op grond van de samenlevingsovereenkomst gehouden de man voor die vermogensverschuivingen te vergoeden. Het verzoek strekt ertoe verlof te verkrijgen voor het ten laste van de vrouw doen leggen van conservatoir beslag onder de notaris op het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Partijen hebben de woning op beider naam, ieder voor de onverdeelde helft, verkregen. Uitgangspunt daarbij is dat een waardestijging aan ieder voor de helft toe komt (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2021:861). Niet zonder meer aannemelijk dat, zo in een situatie als de onderhavige al gesproken kan worden van verschuiving van vermogensbestanddelen, sprake is van een feiten en omstandigheden die redelijkerwijs nopen tot afwijking van voormeld uitgangspunt dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt. Verzoek om verlof voor het leggen van conservatoir beslag wordt afgewezen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9614:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="55523661-eb4d-47c6-90c4-6d689cde3511" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e25d71e7-84fd-4111-83ff-860b1dbd04f3" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/09/634203 / KG RK 22-1070</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de voorzieningenrechter van 1 september 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>verblijvende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>gerekestreerde.</para>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als de man (verzoeker) en de vrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De feiten en de gestelde vorderingen</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verzoek met producties, ingediend op 25 augustus 2022, strekt ertoe verlof te verkrijgen voor het ten laste van de vrouw doen leggen van conservatoir derdenbeslag onder [Notariskantoor] , statutair gevestigd te [plaats 2] , op het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de door partijen gehouden woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). Aan dit verzoek legt de man het navolgende ten grondslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is sprake geweest van een affectieve relatie, waarbij zij hebben samengewoond en ten behoeve daarvan een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. Partijen zijn ieder nog voor de helft eigenaar van de woning, die inmiddels is verkocht aan derden. De levering van de woning zal op 2 september 2022 plaatsvinden via [Notariskantoor] voornoemd. De overwaarde van de woning is circa € 192.000,--. Deze relatief hoge overwaarde is voor het overgrote deel het gevolg van een grootschalige verbouwing, hoofdzakelijk uitgevoerd door de man, van de woning na aankoop door partijen. De man heeft, anders dan de vrouw, voor deze verbouwing een jaar lang ieder vrij uur en iedere vrije dag gebruikt en heeft partijen hiermee hoge aannemerskosten bespaard. Aldus heeft de man voor wat betreft de daarmee gemoeide manuren een forse privé-investering gedaan in de door partijen gemeenschappelijk gehouden woning, waardoor de waarde van de woning aanzienlijk is gestegen. De man stelt zich op het standpunt dat hem daarom een vergoedingsrecht toekomt, meer in het bijzonder € 21.000,--. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts heeft de man voor wat betreft de aan de woning verbonden hypotheek op grond van artikel 10 lid 3 sub a van de samenlevingsovereenkomst en op grond van de wet recht op vergoeding van de helft van de alleen door hem voor een bedrag van € 22.500,-- betaalde hypotheektermijnen, derhalve € 11.250,--. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 1 juni 2022 heeft de man de vrouw van zijn aanspraken op vergoeding op de hoogte gesteld. Bij bief van 2 juni 2022 heeft de vrouw de man daarop laten weten dat, zoals door hen diezelfde dag telefonisch besproken, zij op een later moment zal terugkomen op zijn brief van 1 juni 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De grondslag van de vorderingen van de man is gelegen in de samenlevingsovereenkomst van partijen en het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking dan wel de redelijkheid en billijkheid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Voor wat betreft de gestelde aanspraak van de man op vergoeding van de helft van de door hem betaalde aflossingen van de hypotheek is van belang dat de man geen bescheiden heeft overgelegd waaruit die aflossingen kunnen blijken, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengt dat de gestelde aflossingen onvoldoende aannemelijk zijn geworden, met als gevolg dat dit onderdeel van het verzochte niet voor toewijzing in aanmerking komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Voor wat betreft het door de man gestelde recht op vergoeding van zijn werkzaamheden inzake de verbouwing van de woning is het volgende van belang. De man baseert zijn aanspraak op artikel 9 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst, op grond waarvan partijen verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene partij is onttrokken ten bate van het vermogen van de andere partij. De man stelt zich op het standpunt dat met de vele uren die hij heeft besteed aan de verbouwing van de woning sprake is van onttrekkingen aan zijn vermogen die mede ten bate komen van het vermogen van de vrouw in de vorm van haar aandeel in de overwaarde van de woning en dat de vrouw op grond van artikel 9 voornoemd gehouden is de man voor die vermogensverschuivingen te vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Anders dan de man stelt is het in dit geval niet van belang om vast te stellen welke factoren tot de waardestijging van de woning hebben geleid en wat ieders aandeel in deze waardestijging is geweest. Aangezien partijen de woning op beider naam, ieder voor de onverdeelde helft, hebben verkregen, is dat goed immers in beginsel voor rekening en risico van beide partijen, hetgeen tot gevolg heeft dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2021:861). Op dit uitgangspunt kan op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering worden gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat in de voorliggende situatie evenwel niet het geval, nu de vrouw heeft toegezegd later nog op de in de brief van 1 juni 2022 opgenomen aanspraken van de man terug te komen en zij dat nog niet heeft gedaan, hetgeen - wetende dat op 2 september 2022 levering zou gaan plaatsvinden - voor de man aanleiding had kunnen zijn de vrouw bij het sluiten van de koopovereenkomst op 11 juli 2022, aan haar toezegging te herinneren, hetgeen hij heeft nagelaten. Aldus is niet kunnen blijken van enige reactie van de vrouw op de stellingen van de man over vermogensverschuivingen bij de verbouwing. Daarmee is niet zonder meer aannemelijk dat, zo in een situatie als de onderhavige al gesproken kan worden van verschuiving van vermogensbestanddelen, sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs nopen tot afwijking van voormeld uitgangspunt dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt. Een en ander brengt mee dat ook dit onderdeel van het verzochte niet voor toewijzing in aanmerking komt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing </title>
    <para>De voorzieningenrechter </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken </para>
      <para>op 1 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>