<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:9438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-29T09:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/7224</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9438">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-19T11:25:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:9438 Rechtbank Den Haag , 15-09-2022 / 21/7224</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9438:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser kan niet aantonen dat hij tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 6:11 Awb, sprake is. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9438:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 21/7224 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen </emphasis>(verweerder)</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.J.H. van de Ark).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 10 november 2021 op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 juli 2021.</para>
      <para>Met het bestreden besluit is dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2022 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Niet in geschil is dat eiser niet kan aantonen dat hij tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit van 3 juli 2021, een bezwaarschrift tegen dat besluit heeft ingediend.<footnote-ref linkend="_6e53de15-107e-4fb4-901d-254d8fece7e8" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft eiser bij het besluit van 3 juli 2021 een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en bepaald dat eiser voorlopig niet meer mag rijden. Bij dit besluit is eiser een factuur opleggingskosten, die eiser uiterlijk 7 augustus 2021 moet betalen, toegestuurd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij brief van 7 juli 2021 heeft verweerder aan eiser een ontvangstbevestiging van de door eiser verrichte betaling van opleggingskosten onderzoek toegezonden. Met deze betaling door eiser staat vast dat eiser het (niet-aangetekend verzonden) besluit van 3 juli 2021 heeft ontvangen in de periode van voor 7 juli 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft een bezwaarschrift van eiser op 26 oktober 2021 ontvangen en de ontvangst daarvan aan eiser bevestigd bij brief van 28 oktober 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, sprake is op grond waarvan geoordeeld kan worden dat hij niet in verzuim is geweest.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser heeft aangegeven dat hij zo snel als mogelijk weer auto wil kunnen rijden. Op de zitting heeft verweerder toegelicht wat eiser moet doen om opnieuw te kunnen beschikken over een geldig rijbewijs nu dat bij besluit van 10 november 2021 ongeldig is verklaard. Eiser verklaarde wel bereid te zijn zich medisch te laten onderzoeken, maar blijft het oneens over de wijze waarop bij verweerder het vermoeden is ontstaan dat hij mogelijk rijongeschikt is. Hij vindt dat de manier waarop de politie hem heeft staande gehouden niet deugde en onfatsoenlijk was en de uitslag van de speekseltest en het bloedonderzoek niet betrouwbaar. Hij vindt dat hem dat in de toekomst niet nogmaals mag overkomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Deze argumenten moet de rechtbank buiten beschouwing laten omdat in dit beroep alleen aan de orde is of verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Toch zal de rechtbank, maar dan geheel ten overvloede de argumenten van eiser kort bespreken. Zij overweegt dat er voor verweerder voldoende informatie over eiser was voor het vermoeden van rijongeschikt bij eiser. Voor het opheffen van de ongeldigheid van zijn rijbewijs zal eiser alsnog moeten meewerken aan het door verweerder opgelegde onderzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2021 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. </para>
      <para />
      <para>5. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Roks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6e53de15-107e-4fb4-901d-254d8fece7e8" label="1">
    <para> Artikelen 6:7, 6:8, lid 1, en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitgaande van de datum van de verzending van het besluit van 3 juli 2021, liep de bezwaartermijn tot en met 14 augustus 2022.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>