<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:9188</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-10T07:56:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.17161 (beroep) en NL21.17163 (voorlopige voorziening)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:1449" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:1449, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9188">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9188</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-14T11:08:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:9188 Rechtbank Den Haag , 11-08-2022 / NL21.17161 (beroep) en NL21.17163 (voorlopige voorziening)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9188:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>intrekking en afwijzing verlenging verblijfsvergunning als kennismigrant - evenredigheidsbeginsel - artikel 8 van het EVRM - voornemen - hoorplicht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9188:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL21.17161 (beroep) en NL21.17163 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken en de aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL21.17161) ingesteld. Ook heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening (NL21.17163) ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2022 op zitting behandeld. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft de Russische nationaliteit. Zij heeft met ingang van 1 september 2015 tot 1 september 2020 een verblijfsvergunning gekregen voor arbeid als kennismigrant bij [B.V.] B.V. Deze verblijfsvergunning is verlengd tot 1 september 2025. Op 27 november 2020 heeft eisers een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en/of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot 6 juli 2018 en de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft dit besluit als volgt toegelicht. Sinds 6 juli 2018 is eiseres enig aandeelhouder van [bedrijf] en [bedrijf] is enig aandeelhouder van [B.V.] B.V. Eiseres wordt als enig aandeelhouder van [B.V.] B.V. als zelfstandige beschouwd en voldoet dus niet langer aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning met het doel ‘arbeid als kennismigrant’.<footnote-ref linkend="_a336ee1b-bf1d-4477-984a-80db21c06cd5" /> Eiseres heeft van de gewijzigde situatie geen melding gemaakt, zodat verweerder de verblijfsvergunning ook op die grond kon intrekken. Daarbij beschikt zij niet over een geldige mvv en komt zij niet in aanmerking voor vrijstelling van dit vereiste. Vanwege de intrekking is er geen sprake van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het feit dat eiseres per 6 juli 2018 enig aandeelhouder is van [B.V.] B.V. betekent niet dat zij geen arbeid als kennismigrant verricht. Eiseres is nog steeds in dienst van dezelfde referent en is dezelfde arbeid blijven verrichten. Verweerder mag eiseres niet tegenwerpen zij niet heeft gemeld dat zij vanaf 6 juli 2018 enig aandeelhouder is geworden omdat zij niet kon weten dat dit moest of van belang was. Dit blijkt namelijk niet uit het aanvraagformulier voor verblijf als kennismigrant en ook niet uit de informatie op de website. Eiseres heeft in Nederland gestudeerd en de opgedane kennis ten bate van de Nederlandse economie ingezet. Zij was werkzaam tegen een riant en bestendig inkomen. Zij voldoet ook aan de vereisten voor ‘arbeid als zelfstandige’. Als zij de wijziging wel zou hebben doorgegeven zou zij deze vergunning hebben gekregen. Door deze omstandigheden niet mee te wegen is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand gekomen. Eiseres moet vrijgesteld worden van het mvv-vereiste, omdat haar uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_1a694a0a-3cca-4384-8eee-9c53d9ccc1e3" /> Ook komt eiseres in aanmerking voor voortgezet verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Ten slotte heeft verweerder onterecht geen voornemen kenbaar gemaakt en had verweerder eiseres moeten horen in bezwaar. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Intrekking en verlenging van de verblijfsvergunning </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres als kennismigrant met terugwerkende kracht per 6 juli 2018 mogen intrekken. Niet in geschil is dat eiseres sinds 6 juli 2018 enig aandeelhouder is geworden van de onderneming [B.V.] B.V. Hiermee staat vast dat tussen eiseres en [B.V.] B.V. niet langer sprake is van een arbeidsverhouding. Zij kwalificeert daarom niet langer als kennismigrant.<footnote-ref linkend="_36b43a2b-b895-409e-abe7-2d11dee35060" /> Er is vanaf 6 juli 2018 sprake van arbeid als zelfstandige.<footnote-ref linkend="_24536052-a022-494f-8ca5-65907dfa49f5" /> Dat de Belastingdienst haar nog steeds als werknemer ziet, zoals eiseres stelt, leidt niet tot een ander oordeel. </para>
    <para />
    <para>5. Het feit dat op het aanvraagformulier voor verblijf als kennismigrant niet is gevraagd naar de aandelensituatie laat onverlet dat eiseres verplicht was om een melding te maken van het feit dat zij enig aandeelhouder is geworden. Op eiseres rust immers de verplichting om geen onjuiste gegevens dan wel gegevens achter te houden die mogelijk kunnen leiden tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag dan wel de verlenging daarvan.<footnote-ref linkend="_faa1a58f-4a98-4e81-90b4-5004999058e1" /> Bovendien had eiseres kunnen weten dat deze omstandigheid relevant was. Dit volgt al uit het feit dat haar verblijfsrecht was gekoppeld aan de kwalificatie kennismigrant. Op het aanvraagformulier is onder 6 ‘Term of employment’ duidelijk vermeld dat de kennismigrant die arbeid in loondienst verricht in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als kennismigrant. Bovendien vermeldt de kennisgeving van 30 juni 2015 aan [B.V.] B.V. dat zowel [B.V.] B.V. als eiseres verplicht zijn wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het verblijfsrecht van eiseres aan de IND te melden. Op eiseres rustte deze verplichting niet alleen als kennismigrant maar ook als eigenaar van [B.V.] B.V.</para>
    <para />
    <para>6. Op grond van het voorgaande komt eiseres ook niet in aanmerking voor verlenging van de verblijfsvergunning als kennismigrant. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de beroepsgronden die betrekking hebben op het mvv-vereiste, of de vrijstelling daarvan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Evenredigheidsbeginsel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_ba480f3f-9a38-4c00-805b-a9920c9d815b" /> De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het belang van verweerder bij de juiste toepassing van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is.<footnote-ref linkend="_52098415-2f6a-4f0b-a3b8-097c5a7defe9" /> Zoals hiervoor onder r.o. 5. is overwogen, had eiseres kunnen weten dat zij de beëindiging van de arbeidsverhouding had moeten melden. Dat eiseres betoogt aan de voorwaarden te voldoen voor een verblijfsvergunning als zelfstandig ondernemer, zonder nadere onderbouwing, leidt niet tot het oordeel dat verweerder had moeten afwijken van zijn beleid. Indien eiseres alsnog in aanmerking denkt te komen voor een dergelijke vergunning, kan zij bij verweerder een aanvraag indienen. Van extreem formalisme van verweerder, zoals eiseres op zitting heeft aangevoerd, is niet gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat ze in aanmerking komt voor voortgezet verblijf in Nederland op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle belangen van eiseres kenbaar heeft betrokken in de belangenafweging. Alhoewel eiseres stelt een duurzame relatie te hebben in Nederland, is er geen sprake van een objectieve of subjectieve belemmering om het familie- een gezinsleven in Rusland voort te zetten. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het aannemelijk is dat eiseres haar privéleven in Rusland opnieuw kan opbouwen, omdat ze daar langdurig heeft gewoond. Dat eiseres in Nederland een auto en een huis heeft gekocht, is onvoldoende om te spreken van een beschermenswaardig privéleven. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Voornemen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet verplicht om een voornemen kenbaar te maken. Verweerder heeft daar terecht aan ten grondslag gelegd dat eiseres zelf de benodigde informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat ze niet langer als kennismigrant kwalificeert.<footnote-ref linkend="_6c8fa920-32c3-4007-8699-8da627c13426" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eisers, mocht verweerder afzien van het horen van eisers. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>12. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.<footnote-ref linkend="_d4e8a525-0551-42d2-b838-f64bf87f978f" /></para>
    <para />
    <para>13. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a336ee1b-bf1d-4477-984a-80db21c06cd5" label="1">
    <para> Zie paragraaf B6/2.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a694a0a-3cca-4384-8eee-9c53d9ccc1e3" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_36b43a2b-b895-409e-abe7-2d11dee35060" label="3">
    <para> Zie paragraaf B6/2.3 van de Vc 2000.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_24536052-a022-494f-8ca5-65907dfa49f5" label="4">
    <para> Zie paragraaf B6/2.5 van de Vc 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_faa1a58f-4a98-4e81-90b4-5004999058e1" label="5">
    <para> Zie artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba480f3f-9a38-4c00-805b-a9920c9d815b" label="6">
    <para> Zie artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52098415-2f6a-4f0b-a3b8-097c5a7defe9" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173,  r.o. 10.2; zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, r.o. 4.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c8fa920-32c3-4007-8699-8da627c13426" label="8">
    <para> Zie artikel 4:7 en artikel 4:8 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4e8a525-0551-42d2-b838-f64bf87f978f" label="9">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>