<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:9173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-13T14:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.299</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9173">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-13T13:57:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:9173 Rechtbank Den Haag , 25-01-2022 / NL22.299</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9173:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, grondslag van de maatregel, verijdelen terugkeer, lichter middel en onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen, beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9173:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.299</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw J.M. van der Boom. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt dat hij de Burkinese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1972] .</para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</para>
      <para>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="91b2eed4-b002-4aed-89ac-ab5fc83d7f42" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;</para>
      <para>en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:</para>
      <para>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</para>
      <para>4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;</para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</para>
      <para>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
      <para>Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.</para>
      <para>De rechtbank merkt op dat de zware grond 3i is aangekruist, maar dat de zware grond 3h is gemotiveerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser bestrijd dat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw terecht aan hem is opgelegd. Eiser voert hiertoe aan dat hij zijn asielaanvraag niet louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, maar dat dit een serieuze asielaanvraag betreft. Hiertoe wijst eiser naar de huidige situatie in Burkina Faso.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de feiten en omstandigheden mocht verweerder er redelijkerwijs van uitgaan dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiser heeft aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst en eiser heeft zijn asielwens een dag voor vertrek kenbaar gemaakt. Dat eiser stelt dat zijn asielaanvraag serieus is, doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gronden van de maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser heeft de lichte grond 4c bestreden. Verweerder heeft deze grond ter zitting ingetrokken. Deze betwisting behoeft geen verdere bespreking door de rechtbank. De maatregel kan namelijk al gedragen worden door de niet-betwiste gronden onder 3b en 3c. De beroepsgrond slaagt dus niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen en het lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser voert aan dat niets erop wijst dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Een aantal gronden zijn dan wel feitelijk juist, maar de conclusie die verweerder hieruit trekt is niet juist. Eiser voert aan dat hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft en dat hij er belang bij heeft dat hij door verweerder gehoord wordt voor zijn asielaanvraag. Hij zal zich daarom juist niet onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder had daarom moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, samen met de omstandigheden van het geval, volgt het risico</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="fa484260-9320-4a73-a8a7-1631737c0ce1" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>2 Artikel 5.1b, vierde lid, Vb.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Zo geeft eiser onder andere aan dat hij niet terug wil naar Burkina Faso en eiser heeft zijn asielverzoek een dag voor vertrek ingediend. Dat eiser stelt dat hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft en dat hij belang heeft bij beoordeling van zijn asielprocedure is onvoldoende om aan te nemen dat er geen risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen is. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat er een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen bestaat.</para>
      <para>Verweerder was daarom niet gehouden om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.</para>
      <para>M.A.W.M. Engels, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="e05f79eb-5f1e-40b4-b9bf-d863f966037f" depth="82" width="251" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="16e437d0-d988-4055-a4e3-c7c81e203b29" depth="82" width="251" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>24 januari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>Mr. S.G.M. van Veen	M.A.W.M. Engels</para>
      <para>Rechter	Griffier</para>
      <para>Rechtbank Midden-Nederland	Rechtbank Midden-Nederland</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [documentcode]</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling</para>
      <para>Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>