<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:9076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-12T09:00:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.524</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9076">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-09T16:09:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:9076 Rechtbank Den Haag , 30-08-2022 / NL22.524</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9076:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening. Interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot Spanje. Zwangerschap.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:9076:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.524</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , verzoekster</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.L.J.M. Wilhelmus),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Franca).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit van 6 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000<footnote-ref linkend="_484f3c3d-29b7-4c49-ba6f-a47782be2c26" />, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden haar uit te zetten gedurende de behandeling van het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening op 16 augustus 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is met haar kinderen verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Syrische nationaliteit. Op </para>
    <para>18 oktober 2021 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek. </para>
    <para />
    <para>2. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat inmiddels zes weken zijn verstreken sinds de bevalling en verzoekster daarom in staat wordt geacht om te reizen. Volgens verweerder loopt verzoekster bij uitzetting naar Spanje, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_c974d41f-0b5f-4102-a45d-bae35728a809" /> Ook heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat zij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten. Volgens verweerder is namelijk sprake van frustratie van de uitzetting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verzoekster in de voorzieningenprocedure?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Verzoekster vindt dat het doen van de aanvraag om uitstel van vertrek, dan wel het instellen van hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak, niet maakt dat sprake is van frustratie van uitzetting. Bovendien heeft verweerder tijdens een eerdere zitting bij de rechtbank zelf aangegeven dat verzoekster een aanvraag om uitstel van vertrek kon indienen.<footnote-ref linkend="_1c610825-dd9f-4e25-8e54-e3aacd2b0112" /> Verder voert verzoekster aan dat verweerder ten minste had moeten oordelen dat zij recht had op zes weken uitstel van vertrek. Verweerder heeft ten onrechte geen nadere informatie ingewonnen omtrent de gezondheid van verzoekster en haar vier kinderen. Daarnaast gaat verweerder eraan voorbij dat sprake is van een kwetsbaar gezin en zijn de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet bindt.</para>
    <para />
    <para>5. Met betrekking tot het verwijt van frustratie van de procedure heeft verweerder ter zitting aangegeven dat dit niet opgenomen had moeten worden in het bestreden besluit. In bezwaar is dit punt dan ook terecht naar voren gebracht. Nu dit echter alleen ziet op de rechtsmiddelen en de periode tot aan de uitspraak op de voorlopige voorziening, is dit geen reden de voorlopige voorziening toe te wijzen. Immers, met deze uitspraak is de voorzieningenprocedure ten einde.  </para>
    <para />
    <para>6. Ook de stelling dat verweerder had moeten bepalen dat verzoekster sinds de bevalling op 10 november 2021 recht had op zes weken uitstel van vertrek, vormt geen reden een voorlopige voorziening toe te kennen. Vast staat dat verzoekster inmiddels is bevallen en dat de termijn van zes weken na de bevalling waarin uitstel op vertrek wordt toegekend, is verstreken. De zwangerschap van verzoekster vormt op dit moment dan ook geen reden meer dat uitstel van vertrek moet worden verleend. De grond dat uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM vanwege de kwetsbaarheid van het gezin en de medische gesteldheid van verzoekster en haar kinderen, heeft verzoekster zowel in bezwaar als tijdens de voorzieningenprocedure niet met nadere (medische) stukken onderbouwd. Dat er een enkele calamiteitenmelding in het dossier is opgenomen waaruit blijkt dat er sprake is van psychische problematiek, is onvoldoende. Evenmin heeft zij onderbouwd waarom verweerder ten aanzien van Spanje niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Daarom hebben ook deze argumenten geen redelijke kans van slagen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. </para>
    <para />
    <para>8. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_484f3c3d-29b7-4c49-ba6f-a47782be2c26" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c974d41f-0b5f-4102-a45d-bae35728a809" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c610825-dd9f-4e25-8e54-e3aacd2b0112" label="3">
    <para> Verzoekster verwijst naar de zitting van 14 oktober 2021 van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>