<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:8583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-18T08:17:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.21315</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8583">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-07T11:24:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 Rechtbank Den Haag , 26-08-2022 / NL20.21315</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8583:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van het beroep niet tijdig beslissen, nu de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen op dit punt onverbindend is verklaard. Omdat inmiddels is beslist, is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Verweerder heeft gelet op de periode van overmacht en de verlenging van de beslistermijn tijdig op de aanvraag van eiser beslist en is dus geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8583:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL20.21315</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser, V-nummer [v-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Yousef),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 december 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag van 22 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 24 december 2020 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 2 maart 2021 heeft eiser gereageerd op het besluit van 8 januari 2021 en het beroep gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 2 maart 2021 heeft verweerder een dwangsombesluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak zonder zitting, omdat een zitting niet nodig is.<footnote-ref linkend="_07bae121-b718-4619-bcb4-55749f8abaaf" /> De rechtbank legt hierna uit waarom.</para>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_0c5bcaaa-e40f-4e70-9dd1-c825d40e633c" /></para>
    <para />
    <para>3. In de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals deze gold van 11 juli 2020 tot 10 juli 2021, werd de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechter tegen het niet tijdig beslissen op asielaanvragen uitgesloten. Op 6 juli 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat het uitsluiten van de mogelijkheid tot het instellen van beroep in deze zaken onverbindend is, omdat het in strijd is met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.<footnote-ref linkend="_354e3158-cd9a-4fba-8223-31e032150f7e" /> Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is van het beroep van eiser kennis te nemen.</para>
    <para />
    <para>4. Op 8 januari 2021 heeft verweerder alsnog een besluit op de aanvraag van eiser genomen en op 2 maart 2021 heeft verweerder een beslissing over de verschuldigdheid van een dwangsom genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_2f20d04a-90c8-4b95-85b7-1a00104e0b18" /> De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>5. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.<footnote-ref linkend="_bf1c6f14-2289-41bb-a11f-cf7aa1ec2c84" /> De rechtbank overweegt dat verweerder niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. Eiser is het er namelijk niet mee eens dat verweerder aan hem geen bestuurlijke dwangsom heeft uitgekeerd. Het beroep richt zich daarom mede tegen de besluiten van 8 januari 2021 en 2 maart 2021.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 22 november 2019 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat de zes maanden termijn voor verweerder om te beslissen op de aanvraag in beginsel op 22 mei 2020 zou zijn geëindigd. Eiser heeft op 24 november 2020 een ingebrekestelling aan verweerder gestuurd.</para>
    <para />
    <para>7. In de periode van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 was echter sprake van een situatie van overmacht, waarin verweerder niet in staat was een besluit te nemen.<footnote-ref linkend="_1911a826-7383-40f6-b236-4c7c3f194bae" /> Overmacht heeft in die periode de termijn voor het nemen van een besluit zelfstandig opgeschort.<footnote-ref linkend="_0f936a6c-9136-45fc-9c1c-81e23172d96f" /> In het geval van eiser is overmacht op 16 maart 2020 ingetreden, toen de termijn voor het nemen van een besluit nog niet was verstreken, en is op 16 mei 2020 geëindigd. Dat betekent dat overmacht de termijn voor het nemen van een besluit met twee maanden heeft opgeschort.</para>
    <para />
    <para>8. Bij besluit van 15 mei 2020 heeft verweerder de beslistermijn voor asielaanvragen met zes maanden verlengd, voor alle aanvragen waarbij die termijn op 20 mei 2020 nog niet was verstreken.<footnote-ref linkend="_78e899ed-82a3-4efa-ab2e-998022f919de" /> Aangezien de termijn om een besluit te nemen op de aanvraag van eiser op 20 mei 2020 nog niet was verstreken, is deze met zes maanden verlengd. De beslistermijn eindigde op 22 januari 2021. Dit betekent dat verweerder op 8 januari 2021 tijdig op de aanvraag van eiser heeft beslist. Verweerder is aan eiser dan ook geen dwangsom voor het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag verschuldigd.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-toekennen van een bestuurlijke dwangsom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen de besluiten van 8 januari 2021 en 2 maart 2021 ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.C. de Grauw, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_07bae121-b718-4619-bcb4-55749f8abaaf" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c5bcaaa-e40f-4e70-9dd1-c825d40e633c" label="2">
    <para> Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_354e3158-cd9a-4fba-8223-31e032150f7e" label="3">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2022:1810).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f20d04a-90c8-4b95-85b7-1a00104e0b18" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf1c6f14-2289-41bb-a11f-cf7aa1ec2c84" label="5">
    <para> Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1911a826-7383-40f6-b236-4c7c3f194bae" label="6">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2949).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f936a6c-9136-45fc-9c1c-81e23172d96f" label="7">
    <para> Ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78e899ed-82a3-4efa-ab2e-998022f919de" label="8">
    <para> Besluit met nummer WBV 2020/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, (Stct. 2020, nr. 26964). De Afdeling heeft deze verlenging van de beslistermijn rechtmatig gevonden (ECLI:NL:RVS:2020:3020). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>