<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:8492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-12T15:15:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.20377</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2023:3357" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:3357, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8492">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T11:31:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:8492 Rechtbank Den Haag , 18-08-2022 / NL21.20377</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8492:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>mvv-aanvraag voor verblijf bij partner afgewezen - (vrijstelling van het) middelenvereiste - afwijken van het beleid - artikel 8 EVRM - hoorplicht - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8492:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.20377</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. van Werven),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Deniz).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 mei 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de mvv<footnote-ref linkend="_83006bfa-ebc0-438a-b994-1882f4e3bf7a" />-aanvraag van eiser voor “verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ” afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2022 op zitting behandeld. Namens eiser was aanwezig [A] (referente), bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Als tolk was aanwezig A. Touzani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft een mvv-aanvraag ingediend, omdat hij wil verblijven bij zijn partner (referente). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan het middelenvereiste. Referente ontvangt een WIA<footnote-ref linkend="_9dc3bd12-1012-4495-a758-bb8133d72690" /> uitkering op grond van de regeling WGA<footnote-ref linkend="_c7de7efa-c745-4806-9e8d-4376df9407aa" /> en verweerder neemt volgens zijn beleid<footnote-ref linkend="_3c905af3-aacc-494c-bbf1-798b934731f2" /> in dat geval in ieder geval geen blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aan. Eiser wordt daarom niet vrijgesteld van het middelenvereiste. De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder verder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_3fe74943-3af4-4c2d-90dd-1d81ee4bbeee" />. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna – voor zover van belang – in op wat eiser heeft aangevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijstelling van het middelenvereiste</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser vindt dat hij vrijgesteld moet worden van het middelenvereiste vanwege de medische situatie van referente. Het beleid van verweerder bepaalt inderdaad dat er geen blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen bij een WIA uitkering op grond van de regeling WGA, maar dit beleid is onredelijk en moet buiten toepassing worden gelaten. Het beleid sluit namelijk de mogelijkheid uit dat iemand met een uitkering op grond van de regeling WGA vrijgesteld kan worden van het middelenvereiste. Dit is volgens eiser onredelijk, omdat het soms heel lang kan duren voordat iemand in aanmerking komt voor een WIA uitkering op grond van de regeling IVA<footnote-ref linkend="_eed08e31-8ad0-478e-ac27-4eae65fc584f" /> (waarbij wel vrijstelling van het middelenvereiste mogelijk is). </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, volgt uit de systematiek van de WIA, de WGA en IVA dat als een referent blijvend arbeidsongeschikt is, die referent in beginsel in aanmerking moet komen voor een uitkering op grond van de IVA<footnote-ref linkend="_9f1bfd8d-66e7-4c8c-abfc-1ad9570b2cc1" />. Het beleid van verweerder<footnote-ref linkend="_b82c91e0-3909-4cf1-a844-6f8b95c0c34a" /> sluit daarop aan en is in zoverre dus niet onredelijk, zoals de hoogste bestuursrechter eerder al oordeelde<footnote-ref linkend="_3ed10b75-8007-4c53-bc94-3616f233c40c" />. Als referente het niet eens is met het type uitkering dat zij van het UWV<footnote-ref linkend="_434c2ea3-d48e-4abd-a2d9-b99b226b9ce6" /> ontvangt en met de medische beoordeling van haar situatie, dan is het aan haar om dit bij het UWV aan te geven en daartegen op te komen. Hierop zijn eiser en referente ook in een eerdere uitspraak over hun situatie gewezen door de rechtbank<footnote-ref linkend="_abe46c37-cb1d-4d1e-a8dc-1dc398ab2b0f" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Eiser heeft in beroep nog een brief ingediend van het UWV over het meest recente gesprek dat referente bij de organisatie had. In deze brief geeft het UWV aan dat er geen aanleiding is om de uitkering van referente te veranderen en dat zij voorlopig 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Deze brief leidt niet tot een ander oordeel, omdat hieruit nog steeds niet blijkt dat referente blijvend arbeidsongeschikt is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Afwijken van het beleid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder had moeten afwijken van het beleid<footnote-ref linkend="_625f6f90-4b74-4471-924f-d341c375b327" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om van zijn beleid af te wijken. Het is niet aan verweerder, maar aan het UWV, om aan de hand van wat eiser (of referente) heeft aangevoerd te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid ook blijvend is. De omstandigheid dat referente al lange tijd een uitkering ontvangt, maakt niet dat direct sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder af moet wijken van zijn beleid. Uit die omstandigheid blijkt namelijk niet automatisch dat de arbeidsongeschiktheid blijvend van aard is. Ook de meest recente brief van het UWV maakt dit niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Middelenvereiste</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Eiser voert ook aan dat hij aan het middelenvereiste voldoet, omdat referente een WIA uitkering ontvangt die zij in ieder geval nog een jaar na de aanvraag zou ontvangen. Het bedrag dat referente ontvangt is weliswaar lager dan het normbedrag, maar verweerder hoort een individuele beoordeling en belangenafweging te maken. Dat heeft verweerder niet gedaan. Hierbij verwijst eiser onder meer naar het arrest Chakroun van het Hof<footnote-ref linkend="_eb35d992-fc03-412d-bbe2-1675c1d914ae" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Zoals eiser erkent, ligt de WIA uitkering van referente onder het normbedrag. Verweerder heeft daarbij ook de concrete omstandigheid betrokken dat referente nog een uitkering ontvangt, namelijk een uitkering op grond van de Toeslagenwet. Zij doet daarmee een beroep op de publieke middelen. Op grond van het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan het middelenvereiste. Het beroep op het arrest Chakroun leidt verder niet tot een ander oordeel. Uit dat arrest volgt dat verweerder een concrete beoordeling moet maken waarbij hij alle aangevoerde individuele omstandigheden moet betrekken<footnote-ref linkend="_3236eb19-f39f-4f48-a014-e8ed014afe9b" />. Niet is gebleken dat verweerder dit heeft nagelaten. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser en referente ook in vrij beperkte mate individuele omstandigheden hebben aangevoerd en geconcretiseerd. Zo hebben zij geen stukken overgelegd, bijvoorbeeld over de huur en andere uitgaven van referente, die concreet inzicht bieden in de financiële situatie van referente. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Eiser voert aan dat het afwijzen van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser uit laten vallen. Zo heeft verweerder onvoldoende aangetoond dat er, ondanks de medische problemen van referente, geen objectieve belemmering is om het familie- en gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Van belang is ook dat referente al lang in Nederland woont en hier haar privéleven uitoefent en dat aan alle overige voorwaarden voor gezinshereniging is voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat tussen eiser en referente sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder moet daarom een belangenafweging maken, waarbij volgens vaste jurisprudentie een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens gezin enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief beleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Verweerder heeft in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat het om een eerste toelating gaat. In dat geval moet sprake zijn van zeer bijzondere feiten en omstandigheden om het belang van eiser zwaarder te laten wegen. Verweerder heeft verder in het nadeel van eiser mee kunnen wegen dat hij niet voldoet aan het inkomensvereiste en dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Over het betoog dat er door de medische situatie van referente een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen, heeft verweerder terecht gesteld dat dit niet is onderbouwd. Door deze omstandigheden heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser en referente, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Eiser voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Verweerder heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase, omdat het bezwaar volgens hem kennelijk ongegrond is<footnote-ref linkend="_c0e1b287-850c-4bc4-91fa-357729141ac5" />. De hoogste bestuursrechter heeft onlangs geoordeeld dat vreemdelingen vaker moeten worden uitgenodigd voor een hoorzitting als zij bezwaar maken tegen een besluit<footnote-ref linkend="_cdf84e3f-2b4b-4c0e-b803-9a463e23065f" />. Of verweerder van het horen kan afzien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het is de taak van de bestuursrechter om te toetsen of verweerder voldoende acht heeft geslagen op de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van het betreffende geval. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval van het horen heeft kunnen afzien. Het lag op de weg van eiser om in de bezwaarfase relevante individuele omstandigheden naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat heeft hij in beperkte mate gedaan. Zo heeft hij nagelaten om bijvoorbeeld stukken in te dienen die concreet inzicht geven in de financiële situatie van referente en heeft hij ook geen stukken ingediend die onderbouwen dat er een objectieve belemmering zou zijn om het gezinsleven met referente in Marokko uit te oefenen. Zoals verweerder tijdens de zitting heeft aangegeven, is het aan eiser om stukken in te dienen die aanleiding geven om te twijfelen aan de kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. De rechtbank is met verweerder eens dat eiser hierin niet is geslaagd met wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_83006bfa-ebc0-438a-b994-1882f4e3bf7a" label="1">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9dc3bd12-1012-4495-a758-bb8133d72690" label="2">
    <para> Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7de7efa-c745-4806-9e8d-4376df9407aa" label="3">
    <para> Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c905af3-aacc-494c-bbf1-798b934731f2" label="4">
    <para> Zie paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3fe74943-3af4-4c2d-90dd-1d81ee4bbeee" label="5">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eed08e31-8ad0-478e-ac27-4eae65fc584f" label="6">
    <para> Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f1bfd8d-66e7-4c8c-abfc-1ad9570b2cc1" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b82c91e0-3909-4cf1-a844-6f8b95c0c34a" label="8">
    <para> Zie paragraaf B7/2.1.1. van de Vc 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ed10b75-8007-4c53-bc94-3616f233c40c" label="9">
    <para> Zie de uitspraak van 26 april 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_434c2ea3-d48e-4abd-a2d9-b99b226b9ce6" label="10">
    <para> Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_abe46c37-cb1d-4d1e-a8dc-1dc398ab2b0f" label="11">
    <para> Zaaknummer AWB 18/3056.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_625f6f90-4b74-4471-924f-d341c375b327" label="12">
    <para> Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb35d992-fc03-412d-bbe2-1675c1d914ae" label="13">
    <para> Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010, Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3236eb19-f39f-4f48-a014-e8ed014afe9b" label="14">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:239.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0e1b287-850c-4bc4-91fa-357729141ac5" label="15">
    <para> Zie artikel 7:2 en artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdf84e3f-2b4b-4c0e-b803-9a463e23065f" label="16">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>