<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:8491</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T11:26:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.17607 en NL22.17608</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8491">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8491</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T11:25:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:8491 Rechtbank Den Haag , 18-08-2022 / NL21.17607 en NL22.17608</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8491:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder was bevoegd om de verblijfsvergunning voor studie in te trekken vanwege de afmelding door de erkend referent. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:8491:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL21.17607 (beroep) en NL21.17608 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]	</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B. Manawi),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Deniz).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 maart 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser voor het doel “studie” ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL21.17607) ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening (NL21.17608) ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft alleen het beroep op 21 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig met zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig P. Ghosh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser had een verblijfsvergunning om te studeren aan de [schoolinstituut] . De [schoolinstituut] heeft eiser per 31 augustus 2020 afgemeld, omdat hij zou zijn gestopt met de studie. Deze afmelding was voor verweerder aanleiding om eisers verblijfsvergunning in te trekken vanaf 31 augustus 2020.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij wijst erop dat hij door de coronapandemie in de problemen is gekomen. Zo is hij zelf ziek geweest. Hij heeft dit onderbouwd met stukken. Verweerder moet rekening houden met dit soort omstandigheden en niet te makkelijk overgaan tot intrekking van de vergunning in het geval van studievertraging door de coronapandemie. Verweerder moet een individuele beoordeling maken. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, heeft hij gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Ook wijst eiser erop dat onderwijsinstellingen door de coronapandemie slechter bereikbaar waren. Het was daarom moeilijk om een nieuwe inschrijving te regelen. Eiser heeft zich in maart 2021 ingeschreven bij een nieuwe onderwijsinstelling ( [schoolinstituut] ), maar door een fout van [schoolinstituut] is met de inschrijving iets misgegaan. Hij heeft een procedure lopen om dit op te lossen, zodat hij in ieder geval vanaf maart 2021 ingeschreven zou moeten zijn. Eiser betoogt tot slot dat zijn verblijf op grond van artikel 21, zesde lid, van de Studierichtlijn<footnote-ref linkend="_c516a0e7-20e3-4efb-a0c0-99424f3a5ff6" /> tijdelijk had moeten worden toegestaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verweerder in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Volgens verweerder heeft eiser Nederland inmiddels verlaten en volgt hij momenteel geen studie in Nederland. Hij heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep. Mocht dat belang er nog wel zijn, dan handhaaft verweerder het standpunt dat eisers vergunning terecht is ingetrokken. Verweerder hoeft in dit soort zaken niet zelfstandig een beoordeling te maken van de studievoortgang en de persoonlijke omstandigheden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesbelang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat eiser is vertrokken naar zijn land van herkomst (Bangladesh) en dat niet is gebleken dat hij een nieuwe studie volgt in Nederland. Tijdens de zitting heeft verweerder dit standpunt laten vallen, omdat eiser aanwezig was bij de zitting en dus wel in Nederland verblijft. Ook het ontstaan van een eventueel verblijfsgat – bij inwilliging van eisers meest recente aanvraag – maakt dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Intrekking van de verblijfsvergunning</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de [schoolinstituut] eiser heeft afgemeld per 31 augustus 2020. Omdat eiser vanaf dat moment niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning, was verweerder bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden die eiser aanvoert ligt in eerste instantie bij de onderwijsinstelling en niet bij verweerder<footnote-ref linkend="_770ce201-c993-454b-abd0-fe6f958a0f4a" />. Het ligt op de weg van eiser om met de betreffende onderwijsinstelling contact op te nemen en contact te houden over eventuele persoonlijke omstandigheden die van invloed zijn op zijn studievoortgang en -voortzetting. Het beroep dat eiser tijdens de zitting heeft gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 oktober 2020<footnote-ref linkend="_fc69e729-7ca0-4d14-b17a-b8970acb2384" /> slaagt niet. In die zaak bleek kort na de afmelding door de erkend referent dat de vreemdeling voor een andere studie stond ingeschreven en dat hij alweer (en ook ten tijde van de afmelding) aan de voorwaarden voldeed. In het geval van eiser is sprake van een andere situatie, nu er ruim anderhalf jaar is verstreken tot zijn nieuwe inschrijving en op de aanvraag tot dusver<footnote-ref linkend="_46fc1b0f-f97d-4063-8f3b-b62c9ed30cae" /> ook nog niet is beslist.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De rechtbank wijst er verder op dat verweerder in het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft overwogen dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder moest afwijken van het beleid. Verweerder heeft in dit kader dus ook naar eisers individuele omstandigheden gekeken. Volgens de rechtbank heeft verweerder tot de conclusie kunnen komen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden en dat de gevolgen van de intrekking niet onevenredig zijn. Zo kan aan eiser opnieuw een verblijfsvergunning worden verleend als hij zich weer inschrijft voor een nieuwe studie. Eiser heeft inmiddels ook een nieuwe inschrijving lopen, waardoor de kans bestaat dat hij weer een verblijfsvergunning zal krijgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Het beroep op de Studierichtlijn slaagt tot slot ook niet. Als een lidstaat van plan is om een verblijfsvergunning in te trekken, mag een student in bepaalde situaties een aanvraag indienen bij een andere onderwijsinstelling om een gelijkwaardige studie te voltooien<footnote-ref linkend="_3ef40cd3-b68e-4d5d-8f48-4a64c1db9153" />. Geen van die specifieke situaties<footnote-ref linkend="_67b1d67a-d431-4003-b815-fe41c8ef8a2b" /> doet zich echter voor in het geval van eiser. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_c5516f98-f278-4a83-892f-87be6dbe65b1" />.</para>
      <para />
      <para>7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c516a0e7-20e3-4efb-a0c0-99424f3a5ff6" label="1">
    <para> Richtlijn (EU) 2016/801.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_770ce201-c993-454b-abd0-fe6f958a0f4a" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van </para>
    <para>26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1425.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc69e729-7ca0-4d14-b17a-b8970acb2384" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2020:14492.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46fc1b0f-f97d-4063-8f3b-b62c9ed30cae" label="4">
    <para> In ieder geval op het moment van de zitting.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ef40cd3-b68e-4d5d-8f48-4a64c1db9153" label="5">
    <para> Op grond van artikel 21, zesde lid, van de Studierichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_67b1d67a-d431-4003-b815-fe41c8ef8a2b" label="6">
    <para> Beschreven in artikel 21, tweede lid, onder a, c, d of e, van de Studierichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5516f98-f278-4a83-892f-87be6dbe65b1" label="7">
    <para> Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>