<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-10T12:00:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.18214</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:844">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-08T15:10:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:844 Rechtbank Den Haag , 09-02-2022 / NL21.18214</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:844:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening. Aanvraag om reguliere verblijfsvergunning is afgewezen. De voorzieningenrechter vindt het zeer merkwaardig dat de gemachtigde van verzoeker namens hem om de voorlopige voorziening heeft verzocht dat hij de behandeling van het bezwaar in Nederland mag afwachten. De gemachtigde heeft namelijk zelf verklaard dat verzoeker (inmiddels) in Turkije verblijft. Verweerder kan dus geen maatregelen treffen om hem uit Nederland te verwijderen. Verzoeker heeft helemaal geen belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk en wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:844:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.18214</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. I. Özkara),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 11 november 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    <para />
    <para>2. Namens verzoeker is op 19 augustus 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Daarbij is verklaard dat hij op dat moment in Nederland verbleef. Verweerder heeft verzoeker daarop twee maal in de gelegenheid gesteld om bij een loket te verschijnen om de aanvraag compleet te maken  en de verschuldigde leges te betalen. Omdat verzoeker niet is verschenen heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen. Verweerder heeft daarbij betrokken dat verzoeker op dat moment niet (meer) in Nederland verbleef maar met zijn moeder was teruggereisd naar Turkije. Dat bleek uit een schriftelijke reactie van de gemachtigde van verzoeker en uit een door verzoeker ingediende aanvraag om afgifte van een visum voor kort verblijf.</para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om verweerder op te dragen zich te onthouden van iedere maatregel strekkende tot verwijdering van verzoeker uit Nederland, tot op het namens hem ingediende bezwaarschrift is beslist.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter vindt het zeer merkwaardig dat de gemachtigde van verzoeker namens hem om de onder 3 weergegeven voorlopige voorziening heeft verzocht. De gemachtigde heeft namelijk zelf verklaard dat verzoeker (inmiddels) in Turkije verblijft. Verweerder <emphasis role="italic">kan</emphasis> dus geen maatregelen treffen om hem uit Nederland te verwijderen. Verzoeker heeft helemaal geen belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Dat in het primaire besluit staat vermeld dat verzoeker kan worden uitgezet, maakt dit niet anders. Omdat verzoeker zich ten tijde van het besluit niet in Nederland bevond, kan het primaire besluit niet als terugkeerbesluit worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_d4d47817-dcc5-4204-be11-97c0c7bcb469" /> De vermelding in het besluit, dat verzoeker Nederland en de EU binnen vier weken moet verlaten en dat hij anders kan worden uitgezet, zijn dan ook niet op enig rechtsgevolg gericht. Deze opmerkingen zijn kennelijk opgenomen omdat in de aanvraag was verklaard dat verzoeker in Nederland verbleef, hoewel dat (later) niet (meer) het geval was. </para>
    <para />
    <para>5. Vanwege het ontbreken van procesbelang is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open</emphasis>.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d4d47817-dcc5-4204-be11-97c0c7bcb469" label="1">
    <para> Een terugkeerbesluit kan namelijk alleen worden uitgevaardigd ten aanzien van een onderdaan van een derde land die op het grondgebied van een van de lidstaten aanwezig is. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2021, </para>
    <para>ECLI:NL:RVS:2021:89, overweging 3.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>