<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:7841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-11T09:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 21/4743</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7841">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T15:42:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7841 Rechtbank Den Haag , 27-07-2022 / SGR 21/4743</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7841:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft een nieuw besluit genomen wegens nieuwe feiten en omstandigheden. Met het primaire besluit is dus geen sprake van herziening van het besluit 23 juni 2021. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7841:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 21/4743 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres], uit [woonplaats], eiseres,</title>
    <para>gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis> verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de uitkering die eiseres op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontvangt, vanaf 1 juni 2021 tijdelijk niet wordt uitbetaald omdat zij niet meewerkt aan de afspraken die zijn gemaakt over de re-integratie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 15 juni 2021 bezwaar ingesteld tegen het primaire besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 juni 2021 heeft verweerder bepaald dat de Wajong-uitkering weer wordt uitbetaald vanaf 1 juni 2021, omdat eiseres heeft meegewerkt aan de afspraken met betrekking tot de re-integratie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het primaire besluit na het nemen van het besluit van 23 juni 2021 geen besluit meer is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. </para>
      <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres voert aan dat haar bezwaar tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit mede op het vervangende besluit. Wegens het recht op kostenvergoeding had eiseres nog belang bij haar bezwaar. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank kwalificeert het besluit van 23 juni 2021, anders dan eiseres, niet als een herziening van het primaire besluit. Het primaire besluit behelsde het tijdelijk niet uitbetalen van de uitkering van eiseres, wegens niet nakomen van de verplichting tot medewerking. Het besluit van 23 juni 2021 behelst het weer uitbetalen van de uitkering nadat geconstateerd is dat eiseres weer meewerkt aan de re-integratie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, omdat eiseres naar het standpunt van verweerder inmiddels weer meewerkte, een nieuw besluit genomen wegens nieuwe feiten en omstandigheden. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank met het primaire besluit geen sprake van herziening van het besluit 23 juni 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank kan gelet op het voorgaande evenmin verweerder volgen in zijn opvatting, te weten dat met het besluit van 23 juni 2021 het primaire besluit geen besluit in de zin van de Awb zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat met het besluit van 23 juni 2021 het belang van eiseres bij een beslissing op haar bezwaren is komen te vervallen, immers met het nieuwe besluit wordt de Wajong-uitkering van eiseres weer uitbetaald. In zoverre heeft verweerder de bezwaren van eiseres terecht, zij het met een gebrekkige motivering, niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De rechtbank wijst gelet op het voorgaande het beroep van eiseres op een voortbestaan van procesbelang op grond van artikel 6:19 Awb af. Nu met het besluit van 23 juni 2021 geen sprake is van intrekking, wijziging of vervanging van het primaire besluit, is bedoeld artikel niet van toepassing. </para>
      <para />
      <para>3. Het beroep is mitsdien ongegrond.</para>
      <para />
      <para>4. Geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst af het verzoek om een proceskostenvergoeding. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>