<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:7662</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-27T09:36:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.12934</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7662">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7662</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-27T09:35:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7662 Rechtbank Den Haag , 22-07-2022 / NL22.12934</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7662:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Uitreiking maatregel. Pagina met rechtsmiddelenclausule. Bestreden besluit voldoet aan vereisten artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Zware grond 3c betwist. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7662:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.12934</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Hopman).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Op 14 juli 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 15 juli 2022 een verweerschrift ingediend. Op 19 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1998 en heeft de Poolse nationaliteit. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat zich een gebrek heeft voorgedaan in het voortraject en dat de opgelegde maatregel hierdoor onrechtmatig is.<footnote-ref linkend="_43fee7b8-20d1-4d66-b91c-e33d5f50ce48" /> Uit de e-mail van de AVIM<footnote-ref linkend="_f8808a07-5e37-42ba-96d7-d5cd830d333e" /> gericht aan de gemachtigde van eiser blijkt dat het ondertekende besluit dat zich in het dossier bevindt een ander besluit is dan het besluit dat aan eiser is uitgereikt. Onduidelijk is dan ook welk besluit aan eiser is uitgereikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2021.<footnote-ref linkend="_2d7c1b16-86dd-4724-8338-0d987d9ff4c1" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat in de e-mail van de AVIM aan de gemachtigde van eiser het volgende staat: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Van de daadwerkelijk uitgereikte maatregel is het blad met informatie omtrent het beroep vervangen door de meest recente versie. Dit blad komt dus niet geheel overeen met het blad 5 van de maatregel in deze mail.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het bestreden besluit voldoet aan de vereisten van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Verweerder heeft niet alleen een gemotiveerde, gedagtekende en ondertekende maatregel aan eiser uitgereikt, ook heeft hij daarbij een pagina met een rechtsmiddelenclausule gevoegd. Dat er inmiddels een recentere versie van deze rechtsmiddelenclausule in omloop is met extra informatie over de beroepstermijn en dat deze versie aan de gemachtigde van eiser is verzonden, doet er niet aan af dat de aan eiser uitgereikte versie voldoet aan de vereisten die artikel 5.3, eerste lid, van het Vb, aan een rechtsmiddelenclausule stelt. </para>
    <para>Het beroep op de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak treft geen doel, nu dit geen vergelijkbaar geval betreft. Die uitspraak ging namelijk over de vraag of de maatregel wel elektronisch was ondertekend en over de gevolgen van het feit dat de ondertekening pas na de uitreiking had plaatsgevonden. Daarvan is in dit geval geen sprake. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware grond<footnote-ref linkend="_622fe4aa-50b5-4ede-9bce-4dc2d2601df7" /> vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</para>
      <para>
        <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_c7767113-0d8d-46ad-b77f-ebb03a7f8401" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;<?linebreak?>4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist zware grond 3c. Nu het besluit waaruit de plicht blijkt Nederland te verlaten (de ‘drangbeschikking’) geen onderdeel uitmaakt van het dossier, wordt betwist dat aan eiser een dergelijk besluit bekend is gemaakt. De maatregel is dan ook onrechtmatig, omdat geen zware gronden aan de maatregel ten grondslag liggen.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft op 15 juli 2022 de drangbeschikking toegevoegd aan het dossier. Verder heeft verweerder een proces-verbaal van bevindingen overgelegd van 31 mei 2022, waaruit blijkt dat de drangbeschikking aan eiser is uitgereikt, dat met hulp van een tolk uitleg is gegeven over de strekking van de beschikking, en dat eiser getekend heeft voor ontvangst van de beschikking. De zware grond 3c is dan ook feitelijk juist. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat eiser de lichte gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist. De zware grond 3c en de lichte gronden 4a, 4c, 4e zijn – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_43fee7b8-20d1-4d66-b91c-e33d5f50ce48" label="1">
    <para> Eiser wijst in dit verband ook naar artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8808a07-5e37-42ba-96d7-d5cd830d333e" label="2">
    <para> Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d7c1b16-86dd-4724-8338-0d987d9ff4c1" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2021:543. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_622fe4aa-50b5-4ede-9bce-4dc2d2601df7" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7767113-0d8d-46ad-b77f-ebb03a7f8401" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>