<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:7512</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-25T09:33:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.6102</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7512">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7512</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-25T09:32:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7512 Rechtbank Den Haag , 19-07-2022 / NL22.6102</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7512:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT, unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, dwangsommen, proceskostenveroordeling, niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7512:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">-RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.6102</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Agayev),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Eiser heeft op 8 april 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.<?linebreak?></title>
    <para>Verweerder heeft op 11 juli 2022 op de asielaanvraag van eiser beslist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden.</para>
      <para>Partijen hebben daarop niet gereageerd. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de</para>
    <parablock>
      <para>asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat inmiddels alsnog een besluit op die</para>
      <para>aanvraag is genomen zodat eiser om die reden in zoverre geen procesbelang meer heeft bij</para>
      <para>dit beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Een procesbelang kan nog wel zijn gelegen in eisers verzoek om vast te stellen</para>
    <para>hoeveel bestuurlijke dwangsommen er verbeurd zijn. In de inwilligende beschikking wijst verweerder erop dat artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter op verzoek de verbeurde bestuurlijke dwangsommen kan vaststellen, door artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) buiten toepassing is verklaard. Eiser stelt dat de Tijdelijke wet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkswaardigheidsbeginsel.</para>
    <para />
    <para>3. Op eisers beroep is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) van toepassing, zoals die luidt met ingang van 11 juli 2021. Deze Tijdelijke wet heeft – kort gezegd – de mogelijkheid tot het vaststellen van dwangsommen buiten toepassing verklaard. De stelling van eiser dat de Tijdelijke wet in strijd is met het unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel volgt deze rechtbank en zittingsplaats niet omdat de asielprocedure diverse wezenlijke verschillen kent ten opzichte van andere procedures. Voor zover eiser zich beroept op het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel<footnote-ref linkend="_86ee320e-985c-40e2-bd5d-f33cd7d70a20" /> is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Rotterdam<footnote-ref linkend="_17475667-4be0-4d84-99b5-f6a397d1ac4a" /> van oordeel dat dit beroep niet kan slagen omdat met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats is dan ook van oordeel dat de Tijdelijke wet niet (deels) onverbindend is, zodat geen nadere dwangsom aan deze uitspraak kan worden verbonden.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser</para>
    <parablock>
      <para>gemaakte proceskosten. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat</para>
      <para>daartoe de mogelijkheid. Dat is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de</para>
      <para>indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de</para>
      <para>Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).<footnote-ref linkend="_ccd7009c-dda3-41f0-9acb-760f3009b374" /> Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat sprake is van tegemoetkomen in situaties als die van eiser waarin hangende een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit wordt genomen.<footnote-ref linkend="_454bcad8-871a-40a5-b26c-8e49684d09b9" /> Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht</para>
      <para>voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 379,50</para>
      <para>bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van</para>
      <para>€ 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat</para>
      <para>de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig</para>
      <para>nemen van een besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van</para>
    <para>	€ 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr.S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde</para>
      <para>publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_86ee320e-985c-40e2-bd5d-f33cd7d70a20" label="1">
    <para> Zoals onder meer neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de</para>
    <para>Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17475667-4be0-4d84-99b5-f6a397d1ac4a" label="2">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 22 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:402.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ccd7009c-dda3-41f0-9acb-760f3009b374" label="3">
    <para>bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2068.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_454bcad8-871a-40a5-b26c-8e49684d09b9" label="4">
    <para> bijvoorbeeld de uitspraak</para>
    <para>van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>