<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:7391</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-21T09:59:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.12916</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7391">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7391</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-21T09:59:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7391 Rechtbank Den Haag , 15-07-2022 / NL22.12916</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7391:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Staandehouding. Bewaringstermijn artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7391:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.12916</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Hopman).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 13 juli 2022 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Op 14 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. </para>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Staandehouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat hij ten onrechte is staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt immers dat uit het vertrekdossier van DT&amp;V<footnote-ref linkend="_e0604d2c-eb9b-45b0-a6d5-ea88dc563ca8" /> al volgde dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. </para>
    <para />
    <para>4. Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 mogen vreemdelingen worden staandegehouden bij een vermoeden van illegaal verblijf en ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Indien de identiteit van de vreemdeling onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, mag hij op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 worden opgehouden. Deze situatie is van toepassing op eiser en op die wijze weergegeven in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overschrijding termijn maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat hij niet in bewaring mocht worden gesteld, omdat de maximale bewaringstermijn van zes weken uit artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_d33765aa-0a4f-4f71-95fd-15cd5bdf607b" /> is overschreden. Hij stelt namelijk dat de termijn van eerdere maatregelen van bewaring, namelijk van 25 november 2021 tot 2 december 2021 en 15 maart 2022 tot 12 april 2022, opgeteld dient te worden bij de periode van de maatregel van bewaring in deze zaak. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 13 september 2017 in de zaak <emphasis role="italic">[naam2].</emphasis><footnote-ref linkend="_e07cd403-1dbb-4c12-b49c-717576e48e42" /> Eiser stelt zich op het standpunt dat nu verweerder reeds een periode van zes weken heeft gehad om de overdracht uit te voeren, hij niet langer in bewaring kan worden gehouden om diezelfde opdracht uit te voeren. De maatregel van bewaring is volgens eiser hierom van meet af aan onrechtmatig. </para>
    <para />
    <para>6. In het arrest in de zaak <emphasis role="italic">[naam2]</emphasis><footnote-ref linkend="_fc3bb5e2-9bec-4900-80c8-8454d01895bd" /> heeft het Hof overwogen dat de maximale bewaringstermijn van zes weken zoals bedoeld in de derde alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, alleen ziet op de situatie waarin de vreemdeling eerst in bewaring is gesteld en er vervolgens een claimakkoord tot stand is gekomen, dan wel opschortende werking van een beroep of bezwaar is geëindigd. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aan eiser op 25 november 2021 een maatregel van bewaring is opgelegd, die op 2 december 2021 is opgeheven. Op 15 maart 2022 is opnieuw een maatregel van bewaring aan eiser opgelegd, welke is opgeheven op 12 april 2022. De huidige maatregel van bewaring is op 30 juni 2022 opgelegd en opgeheven op 13 juli 2022. De rechtbank stelt vast dat het fictieve claimakkoord dateert van 10 mei 2021. Op 29 september 2021 is eisers beroep tegen het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_3992cbe8-408b-4bff-b084-58e6f275a2b9" /><?linebreak?>Uit deze feiten blijkt dat de maatregelen van bewaring zijn opgelegd na totstandkoming van het (fictieve) claimakkoord en nadat de opschortende werking van het rechtsmiddel was geëindigd. </para>
    <para>8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in de derde alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, zodat moet worden beoordeeld of voldaan is aan het bepaalde in de eerste alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening (er moet voortvarend worden gewerkt aan de overdracht).<footnote-ref linkend="_08f2862a-a9a8-410e-bb31-6d8218a344a9" /> De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hieraan is voldaan. Verweerder heeft in zijn verweerschrift in dit verband terecht gewezen op de omstandigheid dat voorafgaand aan de inbewaringstelling van eiser al een overdracht voor 13 juli 2022 was gepland. Verder heeft verweerder terecht gewezen op de aanhoudende weigering van eiser om zijn medewerking te verlenen aan zijn overdracht aan de Italiaanse autoriteiten. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser weliswaar twee keer eerder krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring is gesteld, maar dat hij in tussenliggende periodes in vrijheid verkeerde waardoor hij ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om zelfstandig terug te keren naar Italië. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e0604d2c-eb9b-45b0-a6d5-ea88dc563ca8" label="1">
    <para> Dienst Terugkeer en Vertrek. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d33765aa-0a4f-4f71-95fd-15cd5bdf607b" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e07cd403-1dbb-4c12-b49c-717576e48e42" label="3">
    <para> ECLI:EU:C:2017:675. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc3bb5e2-9bec-4900-80c8-8454d01895bd" label="4">
    <para> In het bijzonder punt 39 van dit arrest.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3992cbe8-408b-4bff-b084-58e6f275a2b9" label="5">
    <para> Zaaknummer: NL21.7326. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_08f2862a-a9a8-410e-bb31-6d8218a344a9" label="6">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:735. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>