<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:7179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-25T11:45:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.13156</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7179">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-19T11:08:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7179 Rechtbank Den Haag , 11-07-2022 / NL22.13156</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7179:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>piketvovo. Bezwaar tegen feitelijke uitzetting. Vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:7179:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.13156</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], verzoekster,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W. Volkers),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan verzoekster meegedeeld dat hij voornemens is om haar uit te zetten naar Italië op dinsdag 12 juli 2022 om 9:10 uur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft daartegen op 11 juli 2022 bezwaar gemaakt. Zij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om haar uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder op 11 juli 2022 ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verzoekster stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1957 en de Somalische nationaliteit te bezitten. </para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een</para>
    <parablock>
      <para>handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig voor de</para>
      <para>toepassing van Afdeling 7.2 van die wet met een beschikking gelijkgesteld. De</para>
      <para>voorgenomen overdracht van verzoeker is als een zodanige handeling aan te merken.</para>
      <para>Daartegen staat aldus het rechtsmiddel van bezwaar open.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, kan</para>
    <parablock>
      <para>de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op</para>
      <para>grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_bcab7d02-226a-406f-a353-2ca96762d5d9" /> op verzoek een voorlopige voorziening</para>
      <para>treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para>4. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook</para>
    <parablock>
      <para>in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden</para>
      <para>wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het feit dat de voorgenomen overdracht van verzoeker op zeer korte</para>
      <para>termijn gepland staat, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Bij besluit van 19 oktober 2021 is de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Italië verantwoordelijk zijn voor de behandeling daarvan. Het beroep tegen dit besluit (tevens overdrachtsbesluit) is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 23 maart 2022 ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_53211e2d-b80d-48d5-a26f-a3af6207bbe0" /> Het hoger beroep hiertegen is eveneens ongegrond verklaard, waardoor het besluit van 19 oktober 2021 in rechte vaststaat. </para>
    <para />
    <para>6. Niet in geschil is dat verzoekster op 1 juli 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend met als doel verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_6a8d09de-e4e8-47e3-9c62-4fc00a1c5bea" /> bij haar dochter. Evenmin is in geschil dat zij vanaf dat moment rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw<footnote-ref linkend="_79f2e133-864b-4c14-87a1-e205fdb145b2" />.</para>
    <para />
    <para>7. Verzoekster voert aan dat zij, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheid, niet kan worden uitgezet aan Italië, omdat zij de behandeling van haar aanvraag in Nederland mag afwachten. </para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft op 11 juli 2022 gereageerd op het standpunt van verzoekster en heeft daarbij aangegeven dat hij voornemens was uiterlijk op 11 juli 2022 om 16:00 uur een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoekster. Verder geeft verweerder aan in zijn reactie dat de uitzetting zal worden gestaakt indien de aanvraag wordt toegewezen dan wel het niet is gelukt om voor 16:00 uur een beslissing te nemen.</para>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoekster en dat deze aanvraag is afgewezen. Dit betekent dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw hiermee is beëindigd. Gelet hierop kan het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer tot het beoogde resultaat leiden. Voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat een overdracht in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat zij een zodanige afhankelijkheidsrelatie heeft met haar dochter, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster dit niet heeft onderbouwd. Zoals eerder is overwogen door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle<footnote-ref linkend="_d57834b1-a649-49cf-b079-89199f281c85" />, is de (enkele) schriftelijke verklaring van verzoekster en haar dochter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen redelijk kans van slagen heeft. Dit verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. </para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. Het dictum is telefonisch meegedeeld op 11 juli 2022 om 17:53 uur aan verweerder en om 17:54 uur aan de gemachtigde van verzoekster.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_bcab7d02-226a-406f-a353-2ca96762d5d9" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53211e2d-b80d-48d5-a26f-a3af6207bbe0" label="2">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Zwolle 23 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:802.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a8d09de-e4e8-47e3-9c62-4fc00a1c5bea" label="3">
    <para> Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79f2e133-864b-4c14-87a1-e205fdb145b2" label="4">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d57834b1-a649-49cf-b079-89199f281c85" label="5">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Zwolle 23 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:802.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>