<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:6940</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-14T10:17:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.12271</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:6940">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:6940</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-14T10:14:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:6940 Rechtbank Den Haag , 08-07-2022 / NL22.12271</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:6940:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – onjuiste functiebenaming – beroep ongegrond - proceskostenveroordeling</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:6940:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.12271</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiseres,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. Boone),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_ec23e2f2-cc27-47d6-b4c2-9eee773418ee" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 4 juli 2022 heeft eiseres de beroepsgronden ingediend. Op 6 juli 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 7 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Indiase nationaliteit te bezitten.</para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_7bf16772-32fd-46ce-b1f5-54a7c1ba92cc" /> vermeld dat eiseres:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_936b32e2-0605-4973-9286-a90e498a6196" /> vermeld dat eiseres:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres betwist de zware gronden 3a en 3b. Eiseres is Nederland met een geldig visum ingereisd. Zij heeft zich gemeld bij de autoriteiten en heeft zich nooit onttrokken aan het toezicht.</para>
    <para />
    <para>4. Onbetwist is dat eiseres Nederland is ingereisd op een geldig toeristenvisum. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom wordt aangenomen dat eiseres het visum voor een geheel ander doel heeft gebruikt om zo haar toegang te verschaffen tot Nederland om hier langdurig te verblijven. De zware grond 3a is feitelijk juist. De stelling dat eiseres zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken wordt niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de zware grond 3b aan eiseres wordt tegengeworpen. De zware grond 3b is tevens feitelijk juist.</para>
    <para />
    <para>5. Eiseres stelt dat zij staande is gehouden door een medior transportgeleider en een senior transportgeleider van DV&amp;O. Deze functiebenamingen komen echter niet voor in artikel 2 van het BboDVO 2019.<footnote-ref linkend="_c8f51118-7d5b-4825-a976-3349cbf124f0" /> De vermelding van de onjuiste functiebenamingen vormt een gebrek in het voortraject dat dient te leiden tot de onrechtmatigheid van de maatregel.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 27 juni 2022 blijkt dat eiseres is staande gehouden door twee verbalisanten, werkzaam voor de Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning waarbij als functie is vermeld medior transportgeleider. De functiebeschrijving ‘transportgeleider’ komt voor in artikel 2 van het BboDVO 2014<footnote-ref linkend="_90c7911f-d86d-41de-9fdf-92b39fcf992f" /> maar dit is met de invoering van het BboDVO 2019 vervangen door de functie van beveiliger. Uit de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_5f8e3b66-79a8-4849-85d9-35515b2d8ea0" /> van 25 april 2022<footnote-ref linkend="_96ac1ef6-bbe5-41e3-b205-b489d5abede8" /> blijkt dat de functie van transportgeleider binnen het functiegebouw Rijk wordt aangemerkt als (inrichtings)beveiliger als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van het BboDVO 2019. De betrokken ambtenaren bekleden de functie van beveiliger en zijn daarmee aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaren zodat aan hen de bevoegdheden uit artikel 50a van de Vw toekomen. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is, met verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling, van oordeel dat met de onjuiste functiebenaming sprake is van een gebrek in het voortraject. Een dergelijk gebrek maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Niet is gesteld of gebleken dat de belangen van eiseres zijn geschonden door de onjuiste functieaanduiding. Verder is het gebrek van formele aard en liggen er aan de maatregel van bewaring voldoende gronden ten grondslag. De maatregel is niet onrechtmatig.</para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Als gevolg van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759,00 (zevenhonderdnegenenvijftig euro).<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ec23e2f2-cc27-47d6-b4c2-9eee773418ee" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7bf16772-32fd-46ce-b1f5-54a7c1ba92cc" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_936b32e2-0605-4973-9286-a90e498a6196" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8f51118-7d5b-4825-a976-3349cbf124f0" label="4">
    <para> Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90c7911f-d86d-41de-9fdf-92b39fcf992f" label="5">
    <para> Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning 2014.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f8e3b66-79a8-4849-85d9-35515b2d8ea0" label="6">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96ac1ef6-bbe5-41e3-b205-b489d5abede8" label="7">
    <para>ECLI:NL:RVS:2022:1195.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>