<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:5872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-20T10:44:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.6900</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-20T10:43:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:5872 Rechtbank Den Haag , 14-06-2022 / NL22.6900</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugkeerbesluit en inreisverbod – reeds uitgezet naar Albanië – geen procesbelang meer bij beroep tegen terugkeerbesluit – inreisverbod terecht uitgevaardigd – illegaal willen uitreizen naar het VK – beroep tegen inreisverbod is ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.6900</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Dogan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [Nummer] 1991 en de Albanese nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Verweerder heeft overwogen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, zoals bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden, zoals bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4a. zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 </para>
      <para>heeft gehouden;</para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat de zware gronden 3a en 3b ten onrechte zijn tegengeworpen. Eiser is Nederland rechtmatig binnengekomen met een Albanees biometrisch paspoort. Op basis van zijn paspoort had eiser het recht om gedurende de vrije termijn in het Schengengebied te reizen en verblijven. Eiser stelt gebruik te hebben gemaakt van het circulatierecht dat hem als Albanees staatsburger toekomt nu hij niet visumplichtig is en dat het recht pas is komen te vervallen op het moment dat hij de poging deed om illegaal uit te reizen naar het Verenigd Koninkrijk (VK). Daarna zou eiser nog een vrije termijn van drie dagen hebben om zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten. Verweerder heeft daarnaast de loutere intentie van eiser om naar het VK te gaan om werk te zoeken niet mogen tegenwerpen. Verder had eiser de beschikking over voldoende middelen van bestaan. Verweerder had tot slot eiser moeten informeren over de mogelijkheid van zelfstandig vertrek. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Gebleken is dat eiser op 21 april 2022 is uitgezet naar Albanië. Daardoor heeft het terugkeerbesluit zijn werking verloren. De rechtbank is van oordeel dat eiser om die reden geen procesbelang meer heeft bij een rechtmatigheidstoets van het terugkeerbesluit. Het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, is dan ook nietontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft wel procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat zich richt tegen het aan hem uitgevaardigde inreisverbod. Nu het inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is uitgevaardigd, beoordeelt de rechtbank of verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. </para>
    <para />
    <para>6. Uit het bestreden besluit en de verklaringen van eiser blijkt dat eiser samen met zijn verloofde is aangetroffen in een trailer van een vrachtwagen, op het terrein van Cro-Ports te Rotterdam. Eiser bleek niet in het bezit te zijn van een visum dat recht geeft op grensoverschrijding naar het VK. Uit de verklaringen van eiser uit het proces-verbaal van gehoor van 8 april 2022 volgt dat hij al voor zijn aankomst in Nederland de intentie had om op illegale wijze uit te reizen naar het VK. Volgens zijn verklaringen is eiser in Duitsland in een trailer van een vrachtwagen gestapt en is hij naar Nederland gekomen in deze trailer, met de intentie door te reizen naar het VK. Gelet op het korte verblijf in Nederland, de verklaringen van eiser en de wijze waarop hij probeerde om naar het VK te reizen, mocht verweerder aannemen dat eiser het Schengengebied is ingereisd met de bedoeling om illegaal uit te reizen naar het VK. Door in te reizen met dat doel, heeft eiser niet voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode genoemde voorwaarden. De vrije termijn als bedoeld in artikel 12 van de Vw is daarom nooit aangevangen. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1911) waaruit dit ook volgt. Het voorgaande betekent dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser had daardoor geen vrije termijn en geen rechtmatig verblijf. Het circulatierecht is immers niet bedoeld om illegaal te reizen. Eiser is aangetroffen in een trailer van een vrachtwagen, waarin hij zich had verstopt, met als doel illegaal door te reizen naar het VK. Door zo te handelen heeft eiser zich willens en wetens onttrokken aan grenscontroles. Gelet op het feit dat hij zich niet meer in de vrije termijn bevond en dus geen rechtmatig verblijf had, had hij zich onmiddellijk moeten melden bij binnenkomst in Nederland. Door niet te voldoen aan de meldplicht en zonder het vereiste visum naar het VK te (willen) reizen, heeft eiser zich onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en dat de lichte grond 4a eveneens terecht aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.</para>
    <para />
    <para>7. Nu de zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4a terecht zijn tegengeworpen en de lichte grond 4c niet betwist is, is voldoende gebleken dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank wijst er voorts op dat lichte grond 4d niet aan eiser is tegengeworpen, zodat zijn stelling dat die grond niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit niet tot een andere uitkomst kan leiden.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht bepaald dat eiser onmiddellijk Nederland moet verlaten en heeft hij daarbij terecht tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd.</para>
    <para />
    <para>9. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>