<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:5499</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-09T09:43:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.8725</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5499">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5499</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-09T09:43:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:5499 Rechtbank Den Haag , 03-06-2022 / NL22.8725</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5499:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Schadevergoeding. Proces-verbaal staandehouding. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5499:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL22.8725</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 19 mei 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 20 mei 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 23 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 30 mei 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 16 maart 2022 is eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 1 april 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:2453). </para>
    <para />
    <para>3. Op 11 mei 2022 is eiser staandegehouden in het asielzoekerscentrum (AZC) te Maastricht. Vervolgens is hij op die dag opgehouden en in bewaring gesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat er ten onrechte geen proces-verbaal van binnentreding in zijn woonruimte in het AZC aanwezig is van de verbalisant die de binnentreding heeft verricht. Het dossier bevat immers slechts het proces-verbaal van staandehouding van de ambtenaren van de Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning die daarbij aanwezig zijn geweest en waarin ook verslag wordt gedaan van de binnentreding. Niet in geschil is dat eiser toestemming heeft gegeven voor de binnentreding. Er bestaat in een dergelijke situatie geen rechtsregel die ertoe verplicht dat de verbalisant die de binnentreding heeft verricht daarvan separaat verslag doet in een eigen proces-verbaal. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.</para>
    <para />
    <para>5. Daarnaast voert eiser aan dat in het proces-verbaal van staandehouding niet de juiste functienamen van de betrokken ambtenaren zijn opgenomen. Dit levert een gebrek op in het voortraject, aldus eiser. Volgens het desbetreffende proces-verbaal (Model M105) is eiser onder meer staandegehouden door een medior complexbeveiliger. Op grond van de artikelen 1 en 2, aanhef en onder b, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning 2019 is de ‘(inrichtings) Beveiliger’ aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Op grond van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen is deze functionaris belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen. Dit betekent dat eiser door in ieder geval één bevoegde ambtenaar is staandegehouden. Daarmee doet zich niet de situatie voor die speelde in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1195. Van een gebrek is daarom geen sprake. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>