<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:5167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-31T09:47:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.8349</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5167">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:5167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-31T09:46:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:5167 Rechtbank Den Haag , 25-05-2022 / NL22.8349</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5167:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ECLI:EU:C:2021:506, Bewaring, Artikel 59 eerste lid aanhef en onder a Vw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:5167:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.8349</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Agayev),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Lorier).</para>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring<footnote-ref linkend="_1b28acb0-880f-45d0-9942-b6fb2dfb8dfd" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van een schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1973 en de Poolse nationaliteit te hebben.  </para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_fc3cc744-fb1b-4c91-88f2-9d4c26eb6900" /> vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging</para>
      <para>daartoe gedaan;</para>
      <para>3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op</para>
      <para>vreemdelingen heeft onttrokken;</para>
      <para>3c: eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de</para>
      <para>plicht Nederland te verlaten blijkt en hij/zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de</para>
      <para>daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</para>
      <para>3i: heeft te kennen gegeven dat hij/zij geen gevolg zal geven aan zijn/haar verplichting tot</para>
      <para>Terugkeer;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_cc0f5bcc-e891-49cd-8a84-52419b4f3ba9" /> vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4a: zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van</para>
      <para>hoofdstuk 4 heeft gehouden;</para>
      <para>4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</para>
      <para>4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden waarop de maatregel berust niet heeft betwist. De onbetwiste gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de maatregel van bewaring in strijd is met het Unierecht. Eiser vormt geen last voor het stelsel van de sociale rechtsbijstand was ook geen gevaar voor de openbare orde. Het feit dat zijn verblijfsrecht in 2018 is beëindigd betekent niet dat eiser niet naar Nederland kan terugkeren.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_d3ec4268-f48d-4bce-82da-04556759939a" /> en zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijke en effectief heeft beëindigd.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt. Uit een arrest van het Hof<footnote-ref linkend="_f7a6d3a5-06ec-4ab3-8b04-902c2b9ff5bf" /> volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof en de door verweerder aangehaalde uitspraak ligt het op de weg van eiser om aan te tonen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en niet op de weg van verweerder om daar onderzoek naar te doen. Eiser heeft niet aangetoond wanneer hij Nederland weer is ingereisd, maar eiser heeft verklaard dat dit in 2019 is geweest. Hij kan niet vertellen op welke datum. Uit het politiesysteem volgt dat  eiser op 27 april 2019 in Nederland is aangehouden, zodat vaststaat dat eiser in elk geval reeds na vier maanden na de uitzetting Nederland weer is ingereisd. Dit heeft eiser voorts niet betwist. In Nederland heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en geen werk of studie. De verklaringen van eiser dat hij in Polen heeft geholpen op de boerderij van familie acht de rechtbank onvoldoende (geconcretiseerd) voor het oordeel dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. </para>
    <para />
    <para>7. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, was verweerder niet gehouden een nieuw verwijderingsbesluit te nemen en is eisers recht op vrije circulatie niet gaan herleven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1b28acb0-880f-45d0-9942-b6fb2dfb8dfd" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc3cc744-fb1b-4c91-88f2-9d4c26eb6900" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc0f5bcc-e891-49cd-8a84-52419b4f3ba9" label="3">
    <para>Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d3ec4268-f48d-4bce-82da-04556759939a" label="4">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:562).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7a6d3a5-06ec-4ab3-8b04-902c2b9ff5bf" label="5">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>