<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:4694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-31T10:31:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 21/998</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-31T10:30:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:4694 Rechtbank Den Haag , 28-04-2022 / AWB 21/998</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. De rechtstoestand in bezwaar herleeft, omdat het besluit op bezwaar is ingetrokken door verweerder.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/998</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster], verzoekster</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 juni 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER<footnote-ref linkend="_8b9c661c-e964-4a01-b367-8f47d61332b5" /> afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen bij uitspraak van 24 december 2020<footnote-ref linkend="_5601d5d0-e6a7-4ebd-aa70-35d64375552d" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de beroepsprocedure heeft verweerder bij brief van 5 april 2022 het bestreden besluit van 11 februari 2021 ingetrokken. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft bij brief van 5 april 2022 haar beroep ingetrokken. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij haar verzoek om een voorlopige voorziening handhaaft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep in de procedure met zaaknummer AWB 21/997 te bepalen dat verweerder de uitzetting van verzoekster achterwege dient te laten, tot vier weken na de beslissing op het beroepschrift.</para>
    <para />
    <para>3. Vastgesteld wordt dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 24 december 2020 heeft bepaald dat uitzetting van verzoekster uit Nederland achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu het bestreden besluit door verweerder is ingetrokken en verweerder een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, de rechtstoestand in bezwaar herleeft, zoals deze was ten tijde van de hiervoor aangehaalde uitspraak, en daarmee de werking van bedoelde uitspraak. Dit betekent dat verzoekster rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    <para />
    <para>5. Verzoekster heeft daarom geen belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					          De voorzieningenrechter is verhinderd te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. </bridgehead>
  <footnote id="_8b9c661c-e964-4a01-b367-8f47d61332b5" label="1">
    <para> Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5601d5d0-e6a7-4ebd-aa70-35d64375552d" label="2">
    <para> Zaaknummer AWB 20/5050.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>