<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:4270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-06T09:58:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.6002</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4270">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-06T09:55:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:4270 Rechtbank Den Haag , 02-05-2022 / NL22.6002</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4270:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring eerste beroep. Maatregel niet onrechtmatig. Geen lichter middel. Weigering PCR-test. Wel voortvarend. Wel zicht op overdracht. Beroep ongegrond. Verzoek schadevergoeding afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4270:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.6002</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Martens),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 26 april 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 28 april 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te bezitten.</para>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank namelijk indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_1c5c2fc0-5fcf-4335-9f69-ff55613a4f25" /> en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_a2c6fc63-85bc-4f44-8ce9-b4dec1526899" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>
      <?linebreak?>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_784640fc-fd75-4000-8e95-b3fb2a683ddb" /> is in de maatregel vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>4. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_feeae67c-7e0b-479b-8a81-5989f3a903bb" /> van 25 maart 2020<footnote-ref linkend="_b550b854-c359-4134-9ef0-143bf21e2b60" />, dat voor het opleggen van (onder meer) de zware gronden 3a en 3b alleen is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn, en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. Nu eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b niet heeft betwist en deze zware gronden tezamen voldoende zijn om de maatregel te dragen, is sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft daarom geen bespreking. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat niet duidelijk is waarom er geen lichter middel is ingezet. Hij zou eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om zelfstandig naar Oostenrijk terug te gaan, omdat hij bij een gedwongen overdracht aldaar mogelijk in vreemdelingenbewaring komt, aldus eiser.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat in dit geval geen lichter middel kon worden toegepast. Uit het M110-formulier<footnote-ref linkend="_d2ba17d2-3d2a-4762-8678-dbc86d4e6eaa" /> blijkt dat eiser meermaals heeft verklaard niet naar Oostenrijk te willen gaan. Verder heeft eiser aangegeven Oostenrijk te verlaten zodra hij is overgedragen. Hij wil namelijk naar Engeland, omdat het voor hem onmogelijk aldaar asiel te krijgen. Verder is eisers stelling dat hij in Oostenrijk in bewaring wordt gesteld als hij op gedwongen wijze wordt overgedragen niet onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarendheid en zicht op overdracht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat zicht op overdracht ontbreekt. Eiser werkt namelijk niet mee aan een PCR-test.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onvoldoende voortvarend gehandeld, omdat eiser zijn overdracht aan Oostenrijk blijft frustreren. Eiser heeft door het telkens weigeren voor het afnemen van een noodzakelijke PCR-test zelf bijgedragen aan de langere duur van de inbewaringstelling. De overdracht op 14 april 2022 is geannuleerd vanwege eisers houding. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er zicht op overdracht is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1c5c2fc0-5fcf-4335-9f69-ff55613a4f25" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2c6fc63-85bc-4f44-8ce9-b4dec1526899" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_784640fc-fd75-4000-8e95-b3fb2a683ddb" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_feeae67c-7e0b-479b-8a81-5989f3a903bb" label="4">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b550b854-c359-4134-9ef0-143bf21e2b60" label="5">
    <para> ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2ba17d2-3d2a-4762-8678-dbc86d4e6eaa" label="6">
    <para> M110-formulier, p 4 van 7. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>