<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:4128</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-03T10:22:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.2093</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4128">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4128</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-03T10:21:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:4128 Rechtbank Den Haag , 29-04-2022 / NL22.2093</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4128:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel. Algerije. Gestelde relatie en problemen ongeloofwaardig geacht. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:4128:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.2093</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 4 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.<footnote-ref linkend="_0d7ccd9d-d42b-4615-9c81-888359670ef2" /></title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en bezit de Algerijnse nationaliteit. Op 24 december 2021 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij volgt verweerder eisers verklaringen over de identiteit, nationaliteit en herkomst. De gestelde relatie met [Naam 2] de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder ongeloofwaardig. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser oppervlakkig en niet concreet heeft verklaard over deze gestelde relatie. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de gestelde sociaaleconomische redenen die eiser heeft aangevoerd geen raakvlakken hebben met één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag, noch met artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_7257eac3-63ea-4c32-98f5-00a78a534cda" /></para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert in beroep aan dat hij adequaat heeft gereageerd op de vragen die aan hem zijn gesteld tijdens het nader gehoor. Eiser meent dat het aan verweerder is om nader onderzoek te doen nu hij volgens verweerder oppervlakkig en niet concreet heeft verklaard over zijn gestelde relatie met [Naam 2], zo begrijpt de rechtbank. Tot slot stelt eiser dat hij niet kan terugkeren naar Algerije en doet een beroep op artikel 3 van het EVRM. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroep op artikel 3 van het EVRM ter zitting heeft ingetrokken. Dit is dan ook geen onderdeel meer van het geschil waar de rechtbank zich over moet buigen.</para>
    <para />
    <para>5. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gestelde relatie met [Naam 2] en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat eiser, hoewel hij tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk daartoe is uitgenodigd, onvoldoende heeft weten te verklaren over zijn gestelde relatie met [Naam 2]. Zo heeft eiser oppervlakkig verklaard over zijn vriendin, (het ontstaan van) zijn relatie met haar en de daardoor ontstane problemen. Eiser heeft de desbetreffende tegenwerpingen in beroep niet alsnog weerlegd met de enkele verwijzing naar de zienswijze. Nu eiser in beroep niet heeft aangevoerd waarom de motivering in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist is, kan deze motivering standhouden. Gelet op het voorgaande wordt eisers stelling dat verweerder nader onderzoek moet doen dan ook niet gevolgd. Het is immers aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen.</para>
    <para />
    <para>6. Nu verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, is eisers asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_0d7ccd9d-d42b-4615-9c81-888359670ef2" label="1">
    <para> Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7257eac3-63ea-4c32-98f5-00a78a534cda" label="2">
    <para> Europees Verdrag tot de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>