<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3788</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-25T17:06:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2022:3588</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/8193</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3788">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3788</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-25T14:00:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3788 Rechtbank Den Haag , 25-02-2022 / AWB 20/8193</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3788:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>MVV ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij echtgenoot</para>
      <para />
      <para>Eisers en haar dochter hebben een aanvraag ingediend voor verblijf bij de echtgenoot van eiseres. In de voorgaande procedure was de gestelde duurzame en exclusieve relatie, toen op basis van een partnerrelatie met referent, onvoldoende aangetoond omdat zij tegenstrijdige verklaringen tijdens het simultaan gehoor hadden gegeven. Dit is in rechte vast komen te staan. Eiseres en referent zijn vervolgens getrouwd en hebben bij de onderhavige aanvraag een gelegaliseerde huwelijksakte en aanvullende stukken overgelegd. Daarnaast heeft een simultaan gehoor plaatsgevonden.</para>
      <para />
      <para>Verweerder is van oordeel dat de aanvraag afgewezen moet worden omdat niet is aangetoond dat er feitelijk invulling wordt gegeven aan het gezinsleven gelet op de vele tegenstrijdigheden in het simultaan gehoor. Dat eiseres en referent een huwelijk zijn aangegaan maakt dit niet anders.</para>
      <para />
      <para>Niet is in geschil dat er een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is gesloten. De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat met het enkel rechtsgeldig sluiten van het huwelijk de eis van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven niet mag worden gesteld. De rechtbank verwijst hiervoor onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:998): met het overleggen van een huwelijksakte is in beginsel aan de bewijslast voldaan, maar er kunnen indicaties zijn om nader onderzoek te doen naar het feitelijk gezinsleven en dit is niet in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat artikel 5, tweede lid, van de richtlijn in die mogelijkheid voorziet. Dit onderzoek doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het doel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Als er geen sprake is van feitelijk gezinsleven, bestaat er geen gezinsleven dat voor bescherming in aanmerking komt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daar komt nog het volgende bij. In artikel 4, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is bepaald dat de lidstaten uit hoofde van de richtlijn en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming geven tot toegang en verblijf aan onder andere de echtgenoot van de gezinshereniger. Artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn is volgens de Transponeringstabel geïmplementeerd in onder andere artikel 3.14 Vb. In artikel 16, eerste lid onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is bepaald dat de lidstaten een verzoek tot toegang met het oog op gezinshereniging (onder andere) kunnen afwijzen wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met het gezinslid. </para>
        <para>Artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn stelt dus expliciet dat aan de voorwaarden van artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden voldaan. De rechtbank leidt ook hieruit af, dat er sprake moet zijn van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Verweerder heeft voorts volgens de rechtbank in het besluit uitgebreid de vele tegenstrijdige verklaringen uiteengezet, deze wegen niet op tegen de enkele overeenstemmende verklaringen. Verweerder heeft niet ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven. </para>
      <para />
      <para>Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3788:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/8193</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 februari 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres 1] , eiseres,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [#]</para>
      <para>en</para>
      <para>haar minderjarig kind:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres 2]
        </emphasis>, eiseres 2,</para>
      <para>V-nummer: [#]</para>
      <para>gezamenlijk te noemen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Werner),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J. Hofstra).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (referent) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 8 december 2021 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2021. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen referente en een tolk, [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten en omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Eisers hebben allebei de Ghanese nationaliteit. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1982 en eiseres 2, op [geboortedatum] 2013. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1955. Op 9 juli 2019 hebben eisers een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. Eiseres stelt dat zij een duurzame en exclusieve liefdesrelatie heeft met referent en eiseres 2 haar dochter is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Eiseres heeft eerder, op 4 maart 2016, een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in de Toegang en Verblijf (TEV) procedure. Ook toen betrof het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’, maar toen op basis van een partnerrelatie met referent. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres destijds afgewezen omdat de gestelde duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent onvoldoende aangetoond was. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan en in de bezwaarprocedure zijn referent en eiseres simultaan gehoord. Dit bezwaar is ongegrond verklaard omdat eiseres en referent door de tegenstrijdige verklaringen tijdens het simultaan gehoor hun gestelde relatie onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. De Afdeling<footnote-ref linkend="_e1752926-b60c-4893-9d06-c24273f7667e" /> heeft het hoger beroep bij uitspraak van 9 november 2017<footnote-ref linkend="_052c2f1c-088e-46d5-9476-5650dbabac8d" /> ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 4 december 2017 is eiseres met referent getrouwd in [plaats] . Vervolgens hebben eiseres en referent op 9 juli 2019 de onderhavige aanvraag ingediend voor verblijf bij referent, waarbij zij een gelegaliseerde huwelijksakte hebben overgelegd. Verweerder heeft eiseres en referent bij brieven van 18 september 2019 en 9 oktober 2019 verzocht een aantal vragen uitgebreid en gedetailleerd te beantwoorden en de antwoorden te onderbouwen met bewijsstukken. Eiseres en referent hebben bij brieven van 29 november 2019 en 2 december 2019 hier antwoord op gegeven en een aantal stukken overgelegd. Vervolgens heeft er op 5 maart 2020 een simultaan gehoor plaatsgevonden met eiseres en referent.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verweerders besluitvorming</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen omdat niet is aangetoond dat er feitelijk invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. Dat eiseres en referent een huwelijk zijn aangegaan maakt dit niet anders. Met de onderhavige aanvraag is door de vele tegenstrijdigheden in het simultaan gehoor van 5 maart 2020 een werkelijk huwelijks- of gezinsleven niet aannemelijk gemaakt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beroepsgronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eisers voeren, samengevat, aan dat eiseres en referent gehuwd zijn en daarmee niet vallen onder artikel 3.14, onder b, van het Vb<footnote-ref linkend="_3f28c750-bf84-4d77-8561-bdeaa022d61a" />, maar onder artikel 3.14, onder a, van het Vb. Zij hebben volgens paragraaf B7/5 van de Vc<footnote-ref linkend="_1186e0f3-7041-4681-bc11-aa4ee09af43b" /> hun huwelijk aangetoond en daarmee voldoen zij aan de voorwaarde gesteld in artikel 3.14, onder a, van het Vb. Dit artikel stelt geen andere eisen dan de enkele geldigheid naar Nederlands internationaal privaatrecht en het criterium “werkelijk huwelijks- en gezinsleven” uit artikel 16 eerste lid, onder b van de Gezinsherenigingsrichtlijn<footnote-ref linkend="_c1020713-ed21-4e0c-9824-3ab4899982da" /> is voor gehuwden niet geïmplementeerd in het nationale recht. Verweerders standpunt dat artikel 16, eerste lid onder b van de Gezinsherenigingsrichtlijn (ook) is geïmplementeerd in artikel 15 en 16 van de Vw<footnote-ref linkend="_74679080-6ede-43c2-871e-ee5f13e1e987" /> is onjuist.</para>
      <parablock>
        <para>Eisers voeren subsidiair aan dat ook al zou artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn wel geïmplementeerd zijn in artikel 15 en 16 van de Vw, dat deze artikelen verwijzen naar artikel 3.14 van het Vb, hetgeen geen kan-bepaling betreft en dus geen beoordelingsvrijheid geeft aan verweerder. Hierdoor is het voor het aannemen van een rechtsgeldig huwelijk voldoende dat er een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk is gesloten. Daar is hier sprake van.</para>
        <para>Tot slot voeren eisers aan dat verweerder niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom enkele (gestelde) tegenstrijdige verklaringen voldoende zijn om aan te nemen dat er geen sprake is van een werkelijk huwelijks- en gezinsleven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is gesloten.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat met het enkel rechtsgeldig sluiten van het huwelijk de eis van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven niet mag worden gesteld. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020<footnote-ref linkend="_2d5b4577-010c-4b4a-8eb6-407d85b74598" />. De Afdeling heeft daarin geoordeeld, dat met het overleggen van een huwelijksakte in beginsel aan de bewijslast is voldaan, maar dat er indicaties kunnen zijn om toch te beoordelen of er sprake is van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven. De Afdeling acht nader onderzoek naar het feitelijk gezinsleven niet in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat artikel 5, tweede lid, van de richtlijn in die mogelijkheid voorziet. Weliswaar betrof het in die zaak anders dan de onderhavige zaak een nareisaanvraag, maar de rechtbank ziet niet in waarom dat anders zou zijn. Daar komt bij dat ook deze rechtbank en zittingsplaats in een uitspraak van 27 juli 2021<footnote-ref linkend="_c19b9599-2da1-46cc-9168-bbe71413c51d" />, in een zaak waarin het geen nareis betrof, heeft geoordeeld dat het enkele feit dat eiseres en referent een rechtsgeldig huwelijk hebben gesloten, los staat van de vraag of sprake is van feitelijk gezinsleven. </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat een onderzoek naar het bestaan van een werkelijk huwelijks- of gezinsleden niet af doet aan het doel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Als er geen sprake is van feitelijk gezinsleven, bestaat er geen gezinsleven dat voor bescherming in aanmerking komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Daar komt nog het volgende bij. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In artikel 4, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is bepaald dat de lidstaten uit hoofde van de richtlijn en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming geven tot toegang en verblijf aan onder andere de echtgenoot van de gezinshereniger. Volgens de Transponeringstabel bij de implementatie van die richtlijn<footnote-ref linkend="_8ae3794f-6a28-4d63-aa00-c59383df063b" /> is artikel 4 geïmplementeerd in onder andere artikel 3.14 van het Vb.  </para>
        <para>In artikel 16, eerste lid onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is bepaald dat de lidstaten een verzoek tot toegang met het oog op gezinshereniging (onder andere) kunnen afwijzen wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met het gezinslid.   </para>
        <para>Volgens de Transponeringstabel is dit artikel, samen met artikel 16, eerste lid onder c, geïmplementeerd in de artikelen 18, eerste lid onder f, en 19 van de Vw. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn stelt dus expliciet dat aan de voorwaarden van artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden voldaan. De rechtbank leidt ook hieruit af, dat er sprake moet zijn van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Voor zover eisers aanvoeren dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen familie- en gezinsleven zou bestaan omdat eiseres en referent enkel een paar (gestelde) tegenstrijdige verklaringen hebben gedaan, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres en referent hebben, zoals verweerder in het primaire besluit uitgebreid uiteen heeft gezet, vele tegenstrijdige of vage verklaringen afgelegd. Zo wist referent niet de namen te noemen van de middelste kinderen van referent, wist hij de naam van de vader van eiseres niet en wist hij niet dat deze slechts twee weken daarvóór was overleden. Bovendien hebben eiseres en referent vaag of tegenstrijdig verklaard over de periode, de omstandigheden en de activiteiten tijdens het (eerste) verblijf van referent in Ghana. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geoordeeld dat het gestelde werkelijk huwelijks- of gezinsleven onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De enkele overeenstemmende verklaringen wegen niet op tegen de vele tegenstrijdige verklaringen over essentiële onderdelen van hun gestelde relatie. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres geen van de door verweerder genoemde tegenstrijdigheden heeft betwist. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Rechtsmiddel<?linebreak?>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</bridgehead>
  <footnote id="_e1752926-b60c-4893-9d06-c24273f7667e" label="1">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_052c2f1c-088e-46d5-9476-5650dbabac8d" label="2">
    <para> 201706926/1/V3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f28c750-bf84-4d77-8561-bdeaa022d61a" label="3">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1186e0f3-7041-4681-bc11-aa4ee09af43b" label="4">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1020713-ed21-4e0c-9824-3ab4899982da" label="5">
    <para> Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74679080-6ede-43c2-871e-ee5f13e1e987" label="6">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d5b4577-010c-4b4a-8eb6-407d85b74598" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:998.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c19b9599-2da1-46cc-9168-bbe71413c51d" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBNHO:2021:7376.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8ae3794f-6a28-4d63-aa00-c59383df063b" label="9">
    <para>Staatsblad 2004, 496.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>