<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-23T12:24:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">MB VERZ 21-1822</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3775">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-23T12:24:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3775 Rechtbank Den Haag , 20-04-2022 / MB VERZ 21-1822</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3775:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wahv. Verkeersboete. Proceskosten. Wegingsfactor fase van administratief beroep 0,5 in plaats van 0,25. Beoordeling ‘samenhangende zaken’: kantonrechter volgt arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:390) niet. Uit het begrip ‘samenhangende zaken’ volgt logischerwijs dat de zaken met elkaar moeten worden vergeleken en dat moet worden gekeken naar onderlinge overeenkomsten en verschillen. In een geval als dit, waarin slechts één van de als samenhangend aangemerkte zaken ter beoordeling voorligt, moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds die ene zaak en anderzijds de overige zaken. Pas als de voorliggende zaak logisch past in het totaalplaatje van alle zaken, kan geconcludeerd worden dat de behandeling van meer dan één zaak – vergeleken met de behandeling van één zaak – geen reële extra inspanning van de gemachtigde vergde. Officier van justitie hoeft niet te motiveren waarom volgens hem sprake is van samenhangende zaken. In dit geval onterecht samenhang aangenomen. Geen toepassing artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3775:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats ’s-Gravenhage</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CJIB-nummer: [CJIB-nummer]</para>
      <para>Registratienummer team straf: 9515023 \ MB VERZ 21-1822</para>
      <para>Uitspraakdatum	: 20 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [betrokkene]
        </emphasis>
      </para>
      <para>
        [adres]
      </para>
      <para>hierna: betrokkene.</para>
      <para>gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan betrokkene is een verkeersboete opgelegd. De gemachtigde heeft namens betrokkene daartegen administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de verkeersboete vernietigd en het verzoek van de gemachtigde tot vergoeding van de proceskosten toegewezen. Tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding heeft de gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was op 6 april 2022. Namens gemachtigde is P.C. van der Aarsen verschenen. De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna: vertegenwoordiger) was er ook. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak is uitsluitend in geschil of de officier van justitie bij de beslissing van 29 maart 2021 terecht een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 300,38 heeft toegekend. Volgens de officier van justitie is sprake van samenhang tussen deze zaak en 62 andere zaak, zodat bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding een factor 1,5 is toegepast. Het genoemde bedrag is dus het totaal voor 63 zaken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunten van partijen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de gemachtigde heeft de officier van justitie niet toereikend gemotiveerd dat sprake is van samenhangende zaken. Verder meent de gemachtigde dat er onvoldoende samenhang bestaat. Hij wijst er onder meer op dat de zaken inhoudelijk (sterk) afwijkende verweren kennen en dat de toelichting van de betrokkenen (sterk) afwijkend is. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de officier van justitie ten onrechte een halve punt heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting. Er is ten onrechte wegingsfactor ‘zeer licht’ (0,25) toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is namens de gemachtigde naar voren gebracht dat in dit geval geen sprake is geweest van (nagenoeg) gelijktijdige behandeling, omdat de hoorzittingen op verschillende data plaatsvonden. Verder is er in deze zaak een reële extra inspanning geleverd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vertegenwoordiger heeft betoogd dat terecht samenhang is aangenomen. Er zijn standaardmatige beroepsgronden aangevoerd. Van een reële extra inspanning kan niet worden gesproken. Alle 63 zaken zijn bij besluit van 29 maart 2021 afgedaan, zodat zij gelijktijdig zijn behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Halve punt telefonische hoorzitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie terecht een halve punt heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting in de fase van administratief beroep. Hiervoor verwijst de kantonrechter naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2022.<footnote-ref linkend="_cad98e5c-7617-41fd-8401-42fbe90bfc16" /> De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wegingsfactor</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder is de kantonrechter van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte wegingsfactor ‘zeer licht’ (0,25) heeft gehanteerd. Het uitgangspunt in dit soort zaken is namelijk wegingsfactor ‘licht’ (0,5).<footnote-ref linkend="_175d6d38-2bf7-4ec9-94dc-b129a479bba4" /> Er is in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De beroepsgrond slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(Nagenoeg) gelijktijdige behandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt dat de officier van justitie zaken slechts als ‘samenhangend’ mag aanmerken, indien:</para>
    </parablock>
    <para>- de officier van justitie ingestelde administratief beroepschriften (nagenoeg) gelijktijdig behandelt;</para>
    <para>- rechtsbijstand is verleend door (kort gezegd) dezelfde persoon; en</para>
    <para>- de werkzaamheden van die persoon in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat in geval van een hoorzitting slechts van ‘(nagenoeg) gelijktijdige behandeling’ sprake is, indien de zaken gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter hoorzitting zijn behandeld. Hij vindt hiervoor steun in de nota van toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. In die toelichting heeft de regelgever namelijk onmiskenbaar de wens geuit om verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener die ‘tegelijkertijd of volgtijdelijk op een zitting of hoorzitting’ worden behandeld sneller als samenhangende zaken aan te merken.<footnote-ref linkend="_6ad437b6-6444-4e47-9c78-7fae34e18db7" /> Bovendien is de definitie van ‘samenhangende zaken’ geënt op het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.<footnote-ref linkend="_d826b617-ab04-4a06-b2c0-f1939196038f" /> Daarin worden (voor zover hier van belang) zaken als ‘samenhangende procedures’ beschouwd als zij gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting zijn behandeld (artikel 11, eerste lid).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een dag voor de zitting bij de kantonrechter heeft de vertegenwoordiger alle administratief beroepschriften en hoorverslagen overgelegd. De kantonrechter stelt vast dat de hoorzitting in de nu voorliggende zaak op 9 november 2020 was. In de overige zaken heeft de hoorzitting plaatsgevonden in de periode van 17 november 2020 tot en met 15 februari 2021. De officier van justitie heeft de nu voorliggende zaak dus niet (nagenoeg) gelijktijdig met de andere 62 zaken behandeld. De beroepsgrond slaagt. De kantonrechter komt niet toe aan de vraag of de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek konden zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusies</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is gegrond. De beslissing van 29 maart 2021 moet worden vernietigd voor zover daarbij een proceskostenvergoeding van € 300,38 is toegekend voor 63 zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter stelt de proceskosten in deze ene zaak als volgt vast. Voor de fase van administratief beroep wordt een bedrag van € 405,75 toegekend (1 punt voor het indienen van het administratief beroepschrift en een halve punt voor de telefonische hoorzitting met een waarde van € 541,– per punt x wegingsfactor 0,5). Voor de fase van beroep stelt de kantonrechter de proceskosten in deze ene zaak vast op € 126,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde van € 759,– per punt x wegingsfactor 0,25<footnote-ref linkend="_803af9ed-9467-4334-8b2d-6ffa315c2df2" /> x 1 wegens samenhang tussen deze zaak en twee andere zaken ÷ 3<footnote-ref linkend="_da7252bf-b3bb-4c7b-a4ab-b691a8dabc11" />). Het totaalbedrag is dan € 532,25 voor deze ene zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de beslissing van de officier van justitie van 1 juni 2021 voor zover daarbij een proceskostenvergoeding van € 600,75 is toegekend voor 17 zaken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de officier van justitie in deze ene zaak tot het vergoeden van de proceskosten tot een bedrag van € 532,25 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is de uitspraak van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, kantonrechter, bijgestaan door</para>
      <para>D.C. Carsten, griffier en in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier							De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of</para>
    <para>b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Den Haag, Team Straf en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.</para>
      <para>De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. <emphasis role="bold">Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_cad98e5c-7617-41fd-8401-42fbe90bfc16" label="1">
    <para>ECLI: NL:GHARL:2022:280.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_175d6d38-2bf7-4ec9-94dc-b129a479bba4" label="2">
    <para>Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11761.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ad437b6-6444-4e47-9c78-7fae34e18db7" label="3">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2014, 411, p. 3-4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d826b617-ab04-4a06-b2c0-f1939196038f" label="4">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>1993, 763, p. 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_803af9ed-9467-4334-8b2d-6ffa315c2df2" label="5">
    <para> Het gaat in beroep immers alleen om de proceskostenvergoeding. Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_da7252bf-b3bb-4c7b-a4ab-b691a8dabc11" label="6">
    <para> De kantonrechter heeft op dezelfde zitting drie zaken over proceskosten en het begrip ‘samenhangende zaken’ behandeld (9515014 \ MB VERZ 21-1820; 9515023 \ MB VERZ 21-1822; 9515072 \ MB VERZ 21-1827). De werkzaamheden van de gemachtigde konden nagenoeg identiek zijn (de in deze zaak ter zitting ingenomen aanvullende beroepsgrond maakt dit niet anders). Daarom wordt in elke zaak 1/3e van de vergoeding voor de fase van beroep toegekend.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>