<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-20T12:38:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.19262</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-20T12:36:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3621 Rechtbank Den Haag , 14-04-2022 / NL21.19262</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asielaanvraag – veilig land van herkomst Marokko – mob melding maar wel contact – zorgvuldigheid van het gehoor – FMO en iMMO - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.19262</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam 1], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 2 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.19263, op 23 maart 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1981 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 5 november 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland.</para>
    <para />
    <para>2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft twee jaar lang een (geheime) relatie gehad met een meisje genaamd [naam 2]. In juni 2010 is eiser ontvoerd, mishandeld en verkracht door de broers van [naam 2] vanwege de relatie. De broers hebben foto’s gemaakt van eisers naakte lichaam en deze via sociale media gedeeld. Daardoor werd over eiser geroddeld en kon hij geen werk meer krijgen. In oktober 2020 heeft eiser Marokko verlaten.</para>
    <para />
    <para>3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.<footnote-ref linkend="_4a9d4bec-a688-4699-8120-608e285ed7ec" /> Verweerder volgt de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. De problemen van eiser met de broers van [naam 2] acht verweerder ongeloofwaardig, omdat hij daarover wisselende, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd en hij deze verklaringen ook niet kan onderbouwen met documenten. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat Marokko in het algemeen en in eisers geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft de samenwerkingsverplichting geschonden en in strijd gehandeld met artikel 18 van de Procedurerichtlijn<footnote-ref linkend="_7fc15282-5fec-4487-b048-51e733b322fb" /> doordat er geen FMO<footnote-ref linkend="_838a1100-cba7-49de-84c0-e65f62518256" /> is uitgevoerd. Eiser is daardoor ten onrechte niet in staat gesteld om zijn asielrelaas te staven met zijn littekens en medische klachten. Daarnaast is geen sprake geweest van een zorgvuldig gehoor. Eiser is tijdens het gehoor afgekapt door de hoormedewerker. Ook is aan hem gevraagd om het kort te houden en niet te veel uit te wijden. Tot slot verzoekt eiser om aanhouding van het beroep gelet op zijn aanvraag bij iMMO<footnote-ref linkend="_9625b9eb-77e4-4681-b260-f378ef13b5b2" /> voor een medisch onderzoek. Daarbij heeft eiser een brief van iMMO van 18 januari 2022 overgelegd waaruit blijkt dat iMMO bereid is onderzoek te verrichten indien de rechtbank de procedure aanhoudt in verband met dit onderzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft bij brief van 17 januari 2022 meegedeeld dat melding is gedaan dat eiser op 7 januari 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_7a233bdd-08fb-4c45-a900-c88c829a6096" /> volgt dat procesbelang ontbreekt wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.<footnote-ref linkend="_5a34925a-c472-45e8-81ab-7fe5e2bae634" /> De gemachtigde van eiser heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij contact heeft met eiser en weet waar eiser verblijft. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorgvuldigheid gehoor</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het gehoor op een onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van gehoor blijkt dat eiser in de gelegenheid is </para>
    <para>gesteld om zijn relaas naar voren te brengen en dat daarover vervolgens voldoende en concrete vragen zijn gesteld. Uit de door eiser aangehaalde passage uit pagina 18 van het rapport van gehoor blijkt weliswaar dat eiser eenmaal is onderbroken door de hoormedewerker tijdens de beantwoording van een vraag, maar dit leidt niet tot de conclusie dat eiser onzorgvuldig is gehoord. De hoormedewerker heeft immers de gestelde vraag daarna geherformuleerd zodat eiser hierop alsnog een antwoord op kon geven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geloofwaardigheid van het relaas</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Voor zover eiser met een verwijzing naar de zienswijze heeft bedoeld de door verweerder gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling te betwisten, wordt overwogen dat een enkele verwijzing naar de zienswijze daartoe onvoldoende is. Verweerder is namelijk in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft gesteld en eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom hij het met die motivering niet eens is of waarom die motivering tekort schiet. Nu de door verweerder geconstateerde wisselende, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen in beroep niet (voldoende) zijn betwist, heeft verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Veilig land van herkomst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat Marokko in het algemeen en ook voor eiser persoonlijk een veilig land van herkomst is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor geweld waartegen de Marokkaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">FMO en iMMO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn regelt de lidstaat een medisch onderzoek naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade wanneer de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming relevant acht. Dit is in de Nederlandse regelgeving vastgelegd in artikel 3.109e, eerste lid, van het Vb.<footnote-ref linkend="_47fc20da-5336-4837-80c7-5208ab47fa3c" /> Verweerder heeft in paragraaf C1/4.4.4. van de Vc<footnote-ref linkend="_24d91625-2bce-46c2-bead-5374a4412d65" /> en werkinstructie 2016/14 nader uitgewerkt in welke gevallen hij een FMO aanbiedt. Hieruit volgt dat op het moment dat verweerder een FMO start, verweerder een eerste beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en verweerder een FMO van belang acht voor de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en de vraag of de aanvraag ingewilligd of afgewezen wordt. In dergelijke gevallen is een FMO relevant.</para>
    <para />
    <para>10. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een FMO voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser niet van doorslaggevend belang is en daarom niet relevant is. Verweerder heeft daarbij erop gewezen dat de verklaringen die eiser heeft afgelegd ongeloofwaardig zijn. Omdat de geloofwaardigheidsbeoordeling de toets in rechte kan doorstaan, is verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat een FMO niet relevant kan zijn, zodat er geen verplichting bestond om eiser deze aan te bieden.</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het beroep aan te houden in afwachting van een onderzoek van iMMO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4a9d4bec-a688-4699-8120-608e285ed7ec" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fc15282-5fec-4487-b048-51e733b322fb" label="2">
    <para> Richtlijn 2013/32/EU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_838a1100-cba7-49de-84c0-e65f62518256" label="3">
    <para> Forensisch medisch onderzoek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9625b9eb-77e4-4681-b260-f378ef13b5b2" label="4">
    <para> Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a233bdd-08fb-4c45-a900-c88c829a6096" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a34925a-c472-45e8-81ab-7fe5e2bae634" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47fc20da-5336-4837-80c7-5208ab47fa3c" label="7">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24d91625-2bce-46c2-bead-5374a4412d65" label="8">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>