<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3476</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-03T09:47:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 7439</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3476">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3476</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-03T09:47:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3476 Rechtbank Den Haag , 21-03-2022 / AWB - 20 _ 7439</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3476:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen toepassen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3476:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 20/7439</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van bestuur van de Universiteit Leiden, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: D.I. van Weerden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 augustus 2020 heeft verweerder een verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2022 via een beeldverbinding. Eiser was hierbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, in aanwezigheid van de heer [A] , Hoofd Juridische Zaken van de Universiteit Leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat er aan het bestreden besluit vooraf ging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser huurt een woning, die deel uitmaakt van het zogenaamde Doelencomplex in Leiden. </para>
    <para />
    <para>2. In 2015 heeft verweerder het plan gepresenteerd om op het Doelencomplex een nieuw complex te ontwikkelen ten behoeve van de Faculteit Geneeswetenschappen. De woningbouwvereniging van wie eiser zijn woning huurt heeft ten behoeve van de herhuisvesting van de bewoners een voorstel gedaan aan verweerder dat tezamen met de gemeente Leiden is besproken. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft verweerder verzocht om dit voorstel openbaar te maken. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bestreden besluit </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft dit document niet verstrekt en heeft zich daarbij beroepen op de weigeringsgrond genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat openbaarmaking van het voorstel afbreuk doet aan de bescherming van de vertrouwelijkheid waarin het voorstel is geformuleerd en nadelig is voor zowel de woningbouwvereniging als de Universiteit Leiden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat zijn vertrouwen ernstig is geschaad door het overleg dat de afgelopen vijf jaren in het geheim tussen de Universiteit Leiden en de woningbouwvereniging heeft plaatsgevonden. Het niet openbaar maken van de documenten benadeelt de bewoners onevenredig omdat zij uit de uiteindelijke beslissing niet kunnen herleiden hoe dit voorstel tot stand is gekomen en welke alternatieven er zijn besproken. Evenmin kunnen bewoners directe invloed uitoefenen op de plannen uit het voorstel. Hoewel het plan is afgeblazen is het voor de historie van belang om kennis te kunnen nemen van het voorstel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob openbaarmaking van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige benadeling of bevoordeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. Volgens de hoogste bestuursrechter valt hieronder ook het voorkomen van onevenredige benadeling van de overheid.<footnote-ref linkend="_3e6eb085-4a88-4e9f-b47d-dceeee87f30c" /></para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder openbaarmaking achterwege heeft kunnen laten. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de Universiteit Leiden in beginsel staat voor transparantie, maar dat openbaarmaking van het voorstel over de herhuisvesting van de bewoners van het Doelencomplex zal leiden tot onevenredige benadeling van de Universiteit en de woningbouwvereniging. Het voorstel is immers gedaan in het kader van een onderhandelingsproces. In een dergelijk proces moeten partijen in alle openheid, vrij en onbelemmerd standpunten met elkaar kunnen uitwisselen. HHet openbaren van informatie over de onderhandelingen, waarbij herleidbaar is welke personen bepaalde standpunten hebben ingenomen, zal leiden tot aanzienlijk nadeel voor die personen en daarmee voor verweerder. Te denken valt aan reputatieschade. Weliswaar heeft eiser geen kennis kunnen nemen van het voorstel, maar hij is wel op de hoogte gesteld van de uiteindelijke uitkomst van deze onderhandelingen. De rechtbank is om voornoemde redenen van oordeel dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen toepassen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Abdolbaghai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3e6eb085-4a88-4e9f-b47d-dceeee87f30c" label="1">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:666.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>