<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-03T09:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 5957</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3378">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-20T15:11:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3378 Rechtbank Den Haag , 14-04-2022 / AWB - 21 _ 5957</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3378:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om financiële compensatie voor het waarnemen van een kapiteinsfunctie. Goed werkgeverschap verplicht niet tot financiële compensatie in geval van gedeeltelijke waarneming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3378:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/5957</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Defensie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.M. van der Weijden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers rekest afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden via een beeldverbinding op 30 maart 2022. Daaraan namen deel eiser en namens verweerder mr. P.M. van der Weijden, kolonel [A], majoor [B] en majoor [C]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
        <?linebreak?>1.	Eiser vroeg in december 2020 om financiële compensatie omdat hij de kapiteinsfunctie ‘projectofficier Open Source Intelligence’ (OSI) gedurende 22 maanden (juni 2018 - februari 2020) volledig zou hebben waargenomen. Als opperwachtmeester instructeur (owi) vervulde hij feitelijk als enige alle taken van de kapiteinsfunctie. Eiser is gevraagd het oprichtingsproces van 109 OSINTCIE (hierna 109) te ondersteunen, hij was voorzien als toekomstig compagniesadjudant van die compagnie en heeft die functie ook gekregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder besloten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het standpunt van verweerder is dat eiser slechts een beperkt deel van de taken van de kapiteinsfunctie heeft kunnen vervullen. Eiser heeft verweerder er niet van kunnen overtuigen dat aan hem is opgedragen de kapiteinsfunctie te gaan waarnemen.<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in beroep?</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser stelt dat aangezien voor de functie van projectofficier in de rang van kapitein geen militair is gevonden, hij als enige de taken van projectofficier OSI in de volle omvang heeft waargenomen op verzoek en mandaat van de commandanten van JISTARC. Eiser heeft in totaal drieprojectleiders ondersteund, heeft management- en sturingsinformatie en ook advies gegeven op alle vlakken voor de op te richten eenheid. Eiser is geconsulteerd bij het zoeken naar de eerste commandant van de eenheid en heeft veel (over)uren gewerkt. Volgens eiser was sprake van ‘informele waarneming’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verweerder vindt dat de door eiser verrichte werkzaamheden zeer divers zijn en niet kwalificeren als projectfunctie. Eiser heeft daarnaast ook nog invulling gegeven aan zijn eigen organieke functie van Collator Senior bij 106 Inlichtingeneskadron (106 INLESK). Vanaf 30 september 2019 vervulde eiser de sleutelfunctie ‘Open Source Data Manager 109’ en werd hij bevorderd tot adjudant-onderofficier. Eiser heeft daarin uitstekend gefunctioneerd en daarvoor een functioneringsgratificatie gekregen omdat zijn taken werden verzwaard toen een andere sleutelfunctionaris uitviel.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Van de kapiteinsfunctie heeft eiser gefragmenteerde delen vervuld en hij is hier nooit voor aangewezen. Verweerder baseert zijn standpunt dat niet van ‘informele waarneming’ kan worden gesproken voorts op verklaringen van de toenmalige commandant van JISTARC kolonel [A] en projectleider majoor [B].</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Bij informele waarneming wordt door verweerder op basis van goed werkgeverschap en met toepassing van artikel 115 van het AMAR<footnote-ref linkend="_a3fe92bd-4a7f-4d73-8204-9f1e266322e1" /> in incidentele gevallen een compensatie toegekend. Een belangrijk vereiste daarvoor is dat de waargenomen functie ‘nagenoeg volledig’ wordt uitgeoefend. De norm van goedwerkgeverschap strekt niet zo ver dat verweerder gehouden zou zijn om ook bij gedeeltelijke waarneming een compensatie toe te kennen.<footnote-ref linkend="_303f61d4-332d-49e3-90cc-47f3031e56bb" /><?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>5. Niet in geschil is dat eiser een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het oprichtingsproces van 109 en dat hij daarvoor niet is aangewezen. Feitelijk is eiser alle vrijheid en speelruimte gegeven om een rol binnen het oprichten van 109 te vervullen. Eiser heeft die rol opgepakt en werkzaamheden op zich genomen waartoe hij niet gehouden was. Zijn werkgever heeft daarvan voordeel gehad. Eiser heeft daarmee kunnen laten zien in aanmerking te komen voor een bevordering tot adjudant onderofficier.</para>
      <para />
      <para>6. Partijen verschillen over de vraag in welke omvang eiser de kapiteinsfunctie heeft uitgeoefend.<?linebreak?>De rechtbank oordeelt dat in het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting, deugdelijk is gemotiveerd dat de werkzaamheden van eiser niet zijn aan te merken als het nagenoeg volledig waarnemen van de functie. Niet in geschil is dat eiser tijdens de projectperiode niet continue werkzaamheden voor het project heeft verricht. Er waren ook periodes van luwte waarin eiser alleen zijn eigen functie uitoefende. Ook is niet gebleken dat eiser zijn eigen werkzaamheden voor 106 INLESK niet kon vervullen naast die voor het project. De oud-commandant JISTARC kolonel Van Dalen heeft in een tevredenheidsbetuiging opgenomen dat eiser bij de oprichting en opbouw van 109 een hoofdrol heeft gespeeld en omdat er geen project officier gevonden kon worden, eiser deze taak op zich heeft genomen. Hieruit kan de rechtbank niet opmaken dat eiser nagenoeg volledig de taken van de project officier heeft uitgeoefend. Daarbij komt dat de laatste projectleider, majoor Stijnman heeft verklaard dat in de meest drukke tijd maximaal één vergadering van één uur werd gehouden voor het project. De verklaring van luitenant R. Bruins van 7 februari 2022 die eiser heeft ingebracht, werpt geen ander licht op het geschilpunt. Hieruit kan veeleer worden afgeleid dat voor zover de werkzaamheden boven het eigen functieniveau lagen, die werden verricht met de verwachting dat daarvoor uiteindelijk een beloning zou kunnen komen in de vorm van een bevordering.</para>
      <para />
      <para>7. Voor zover eiser heeft beoogd dat verweerder hem op grond van goed werkgeverschap voor de gedeeltelijke waarneming van de kapiteinsfunctie een financiële compensatie had moeten toekennen, wijst de rechtbank op een overweging van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_dede3ec4-1e36-419a-9e81-d8072c4c62c3" />. “De norm van goed werkgeverschap reikt niet zo ver, dat de staatssecretaris, buiten de wettelijke regeling van artikel 22 van het AMAR in verbinding met artikel 11 van het IBM<footnote-ref linkend="_5acb01ea-e2f5-4648-8f19-b798d99d3455" />, gehouden is om ook in een geval van gedeeltelijke waarneming een financiële compensatie toe te kennen. Dat artikel 17, zevende lid, van het IBBAD<footnote-ref linkend="_1ff37ea2-684b-40b1-961c-bc8e1219b7aa" /> voor burgerambtenaren wel voorziet in een financiële compensatie bij gedeeltelijke waarneming, maakt dat niet anders nu een dergelijke wettelijke voorziening voor militairen ontbreekt.”</para>
      <para />
      <para>8. De conclusie van de rechtbank is dat voor een compensatie geen aanleiding bestaat.</para>
      <para />
      <para>9. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
  </section>
  <footnote id="_a3fe92bd-4a7f-4d73-8204-9f1e266322e1" label="1">
    <para> Algemenen militair ambtenarenreglement</para>
  </footnote>
  <footnote id="_303f61d4-332d-49e3-90cc-47f3031e56bb" label="2">
    <para> Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3274), zie ook AB 2019/176.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dede3ec4-1e36-419a-9e81-d8072c4c62c3" label="3">
    <para> Zie vorige noot. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5acb01ea-e2f5-4648-8f19-b798d99d3455" label="4">
    <para> Inkomstenbesluit militairen</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ff37ea2-684b-40b1-961c-bc8e1219b7aa" label="5">
    <para> Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>