<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-18T09:00:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 4241</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3322">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T13:30:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3322 Rechtbank Den Haag , 04-04-2022 / AWB - 21 _ 4241</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3322:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Namens eiser is verzocht om kwijtschelding van zijn studieschuld wegens medische omstandigheden.</para>
        <para>Een medisch adviseur van Dienst Uitvoering Onderwijs heeft geconcludeerd dat de situatie van eiser geen aanleiding is om de studieschuld kwijt te schelden. Het verzoek om kwijtschelding is om die reden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat onder een ‘uitzichtloze situatie’ als bedoeld in het kwijtscheldingsbeleid wordt verstaan de situatie waarin iemand fysiek en/of mentaal compleet incapabel is zonder dat hij of zij terminaal is. Dat is bij eiser niet het geval. Het verzoek om kwijtschelding is daarom terecht afgewezen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3322:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/4241</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], wonende te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F. Mentink),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 11 februari 2021 heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van zijn studieschuld afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2021 de beschikking gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2022. </para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. drs. [A]. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Bij brief van 30 november 2020 is namens eiser verzocht om kwijtschelding van zijn studieschuld wegens medische omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft een medisch adviseur van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) de medische verklaringen van eiser beoordeeld. De bevindingen van de medisch adviseur zijn neergelegd in een rapport met dagtekening </para>
    <para>10 februari 2021. Een kopie van dit rapport behoort tot de stukken van het geding. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de situatie van eiser geen aanleiding is om de studieschuld kwijt te schelden. </para>
    <para />
    <para>3. Op basis van het rapport van de medisch adviseur heeft verweerder het verzoek van eiser bij beschikking van 11 februari 2021 afgewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
        <?linebreak?>4.	In geschil is of het verzoek om kwijtschelding terecht is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser stelt dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen. Er is sprake van een uitzichtloze situatie. Dat wordt nog eens bevestigd door de verklaring van de geneesheerdirecteur van GGZ Delfland. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder stelt dat eisers verzoek terecht is afgewezen. Van een uitzichtloze situatie als bedoeld in het kwijtscheldingsbeleid is geen sprake. Hij wijst daarbij op het rapport van de medisch adviseur van DUO. Verweerder wijst voorts op de regeling van de draagkrachtmeting die een debiteur beschermt tegen een te hoge terugbetalingsverplichting. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Op grond van artikel 6.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (tekst geldend tot </para>
    <para>1 januari 2022) is eiser verplicht tot terugbetaling van zijn studieschuld. Op grond van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet Studiefinanciering 2000 kan verweerder deze verplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken wanneer toepassing van de wet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder voert in dit kader het volgende beleid. Een resterende studieschuld kan op verzoek worden kwijtgescholden indien:</para>
    <para>a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;</para>
    <para>b. de debiteur een psychiatrische patiënt is en de geneesheer-directeur heeft verklaard dat de situatie uitzichtloos is; </para>
    <para>c. een inrichting heeft verklaard dat de debiteur ernstig geestelijk gehandicapt is;</para>
    <para>d. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt.</para>
    <para />
    <para>8. De achterliggende gedachte bij de totstandkoming van dit beleid is dat van debiteuren die in dergelijke medisch uitzichtloze situaties verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 20 april 2016, zaaknr. 14/2735 WSF, ECLI:NL:CRVB:2016:1421, geoordeeld dat dit beleid, ook met de nader geschetste achtergronden, aanvaardbaar wordt geacht.  </para>
    <para />
    <para>9. Onder een ‘uitzichtloze situatie’ als bedoeld in het kwijtscheldingsbeleid wordt verstaan de situatie waarin iemand fysiek en/of mentaal compleet incapabel is zonder dat hij of zij terminaal is. Dat is bij eiser niet het geval. </para>
    <para />
    <para>10. De omstandigheid dat eiser mogelijk nooit een baan zal krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarin wordt voorzien door de draagkrachtmeting bij de vaststelling van (de hoogte van) het te betalen termijnbedrag. Zolang eiser geen baan en geen inkomen en/of vermogen heeft, hoeft hij niets aan DUO terug te betalen.</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.	</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>4 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd</para>
      <para>deze uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>