<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3069</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-04T13:30:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 21/1736</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3069">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3069</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-13T14:46:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3069 Rechtbank Den Haag , 21-03-2022 / SGR 21/1736</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3069:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Waarschuwing is geen besluit i.d.z.v. artikel 1:3 van de Awb. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3069:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/1736 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">drs. [eiser] e.a., uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I. de Vink),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van Rijswijk, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.L. Vroom).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 16 juli 2020 heeft verweerder eiser een waarschuwing gegeven met betrekking tot woonoverlast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2022 via een beeld- en telefonische verbinding op zitting behandeld. Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is met zijn buren verwikkeld in een conflict. Verweerder heeft eiser bij brief van 16 juli 2020 een waarschuwing gegeven met betrekking tot overlast die eiser voor zijn buren zou veroorzaken. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard omdat de waarschuwing geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb<footnote-ref linkend="_0b387fa3-1dff-44b8-8707-ef1b7b6108c2" /> is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert, kort samengevat, aan dat de waarschuwing wel een besluit is, dan wel met een besluit moet worden gelijkgesteld. Het betreft een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing en geldt als voorwaarde om bij een volgende overtreding een bestuurlijke sanctie of maatregel te kunnen opleggen. Eiser verwijst daarbij naar de conclusie van 24 januari 2018 van Advocaat-Generaal R.G.J.M. Widdershoven<footnote-ref linkend="_14a36cd5-d725-4cc6-99a1-010bf43a706f" /> en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_9dad69de-d5f7-42a6-98c3-86bac8d90697" /> De waarschuwing vindt eiser onrechtmatig. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de beschuldigingen van eisers buren en heeft niet alle betrokken belangen afgewogen. Op de specifieke argumenten van eiser gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de waarschuwing een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat een waarschuwing in beginsel geen besluit is.<footnote-ref linkend="_c926880e-1c0a-4573-9c0b-c8e375ba927b" /> Dit kan anders zijn als het gaat om een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing die een voorwaarde is voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid.<footnote-ref linkend="_dae624c4-e64d-445b-97f6-d003f233880f" /> Anders dan eiser stelt is de waarschuwing niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift, maar op een beleidsregel<footnote-ref linkend="_ac2cd3aa-1b81-4d30-ac4a-f50b61ed12df" />. Dat in de toelichting op de beleidsregel wordt verwezen naar 151d van de Gemeentewet (Gw), betekent niet dat de waarschuwing daarom zijn grondslag in een wettelijk voorschrift vindt. Artikel 151d van de Gw geeft een verordende bevoegdheid om handhavend tegen woonoverlast op te treden. Artikel 151d van de Gw biedt geen op zichzelf staande grond om een waarschuwing te geven. Dat is bepaald in de beleidsregel. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de beleidsregel ten tijde van de waarschuwing nog niet op de juiste wijze bekend was gemaakt. De waarschuwing kan daarom eveneens als informele waarschuwing aangemerkt worden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Er zijn situaties waarin op beleidsregels gebaseerde waarschuwingen of informele waarschuwingen voor de rechtsbescherming met een besluit moeten worden gelijkgesteld. Die situaties doen zich voor als de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over die waarschuwingen te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. <footnote-ref linkend="_b905d299-ea59-4d48-bb72-8de4b07be4c3" /> Geen van die situaties doet zich in deze zaak voor. Het betoog dat aan de waarschuwing geen termijn is gebonden en de waarschuwing daarom voor onbepaalde tijd negatieve gevolgen kan hebben, volgt de rechtbank niet. In de waarschuwing staat immers dat verweerder erop aandringt dat de overlast per direct wordt beëindigd en beëindigd blijft, anders zal verweerder een gedragswijzing opleggen. Er is dan ook geen sprake van een voortdurende termijn van de waarschuwing, waardoor eiser in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Bij het niet direct beëindigen van de overlast zal verweerder immers tot een maatregel overgaan. Dat eiser in zijn verdediging wordt geschaad omdat verweerder het dossier van de overlast niet heeft overgelegd, doet voor de vraag of het de waarschuwing met een besluit gelijk moet worden gesteld niet ter zake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de waarschuwing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, noch daarmee gelijk kan worden gesteld. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser zich in een vervelende situatie bevindt met de buren, kom de rechtbank dus niet aan de inhoud toe. Bovendien heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat de waarschuwing is uitgewerkt en verder geen gevolgen heeft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.F.E.J. Valk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_0b387fa3-1dff-44b8-8707-ef1b7b6108c2" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_14a36cd5-d725-4cc6-99a1-010bf43a706f" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2018:249.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9dad69de-d5f7-42a6-98c3-86bac8d90697" label="3">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 november </para>
    <para>2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c926880e-1c0a-4573-9c0b-c8e375ba927b" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:323 en de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dae624c4-e64d-445b-97f6-d003f233880f" label="5">
    <para> Idem. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ac2cd3aa-1b81-4d30-ac4a-f50b61ed12df" label="6">
    <para> Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Rijswijk houdende regels omtrent woonoverlast. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b905d299-ea59-4d48-bb72-8de4b07be4c3" label="7">
    <para> “- Als de termijn gedurende welke de waarschuwing negatieve gevolgen kan hebben zodanig lang is dat belanghebbende, gelet op de aan de orde zijnde overtreding, in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Daarom en om reden van rechtszekerheid moet voor deze waarschuwingen een maximale termijn van (als regel) twee jaar gelden (punt 5.4).</para>
    <para>- Als in de rechtspraak komt vast te staan dat deze waarschuwing een reden kan zijn voor uitsluiting van de belanghebbende van een aanbestedingsprocedure en deze aannemelijk maakt dat hij serieus van plan is om aan zo’n procedure deel te nemen (punt 5.6).</para>
    <para>- Als het bestuursorgaan in de waarschuwing een wettelijke norm, waarvan de inhoud op grond van de wet(sgeschiedenis) en rechtspraak niet kan worden vastgesteld, heeft geconcretiseerd of rechtens had moeten concretiseren en deze concretisering alleen in rechte aan de orde kan worden gesteld door het riskeren van een bestraffende bestuurlijke sanctie (punt 5.10).” - Conclusie van 24 januari 2018 van Advocaat-Generaal R.G.J.M. Widdershoven, ECLI:NL:RVS:2018:249. </para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>